Featured Image

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk  

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022             Herwi Rikhof

Prediker 1,2; 2,21-23 / Lc. 12,13-21

 

Inleiding
We lezen maar één keer in de drie jaar uit het boek Prediker en dan lezen we maar twee kleine stukjes en die lezen we dan ook nog in verband met het evangelie, met het verhaal dat Jezus vertelt over een man die van alles plant en voorneemt en dan plotseling overlijdt. Jezus vertelt dat verhaal naar aanleiding van een man die hem vraagt in te grijpen in een erfeniskwestie. Nu zijn erfeniskwesties vaak wespennesten, maar dat is niet de reden waarom Jezus er niet in betrokken wil worden. Hij wil niet beschouwd worden als een van de schriftgeleerden van zijn tijd, die zich in allerlei juridische kwesties mengden. Én hij heeft een bezwaar tegen hebzucht, van als maar meer en meer. Dat laatste bezwaar van Jezus is terecht – we merken op alle fronten waar dat meer en meer, dat groter en groter toe geleid heeft. Maar het is jammer wanneer dát de blikrichting wordt waarmee we Prediker lezen, want Prediker heeft ons iets anders te vertellen dan dat er grenzen zijn aan wat je kunt hebben.

 

Preek
De mens heet mens is de titel van een vertaling van het boek Prediker die in 1969 als een nieuwe en frisse vertaling in een aparte uitgave werd gepresenteerd. Na zo’n 50 jaar merk ik dat het nog steeds een frisse vertaling is. ‘IJdelheid der ijdelheden, ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid’ is de vertaling die we net gehoord hebben van de openingszin van het boek Prediker. In die vertaling van 1969 wordt deze zin vertaald met ‘het leven is lucht, vluchtig als een ademtocht, alles vervliegt zoals adem verdwijnt, opgaat in lucht.’ Het is misschien niet helemaal letterlijk, want de schrijver die we kennen als Prediker herhaalt vijf keer hetzelfde woord, en dat wordt in onze vertaling met vijf keer ‘ijdelheid’ vertaald. Maar ook de nieuwste bijbelvertaling vertaalt die vijf keer ‘ijdelheid’ niet vijf keer met hetzelfde woord. In die nieuwste vertaling staat: ‘lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte.’ En je hoort haast die vertaling van De mens heet mens erin doorklinken.

Ik vind die wat vrije vertalingen wel mooi, omdat ik bij ‘ijdel’ en ‘ijdelheid’ allerlei associaties heb die eerder belemmeren dan helpen, zoals behaagzucht, bling-bling, te veel make-up, te vaak in de spiegel kijken, voortdurend bezig met je eigen uiterlijk of dat van een ander We weten hoe dat speelt op de sociale media en met welke afschuwelijke gevolgen soms. Maar daar gaat het in dit boek Prediker niet om: wat de schrijver ter sprake brengt, gaat om iets dat dieper ligt en dat ook breder is.

Het boek Prediker, of eerder boekje – je kunt het in een uurtje uitlezen -, is geschreven in de 3de eeuw voor Christus, in een periode van verandering en omwenteling, een periode waarin mensen als het ware gedwongen werden na te denken over hun leven, over de zin van hun leven, over wat belangrijk en wat niet belangrijk is, omdat wat het leven betekent, omdat wat zinvol is of niet, wat belangrijk is of niet, niet meer vast stond. Wij in onze situatie kunnen dat gemakkelijk herkennen. Het zijn niet alleen de boeren die nu met radicale veranderingen geconfronteerd worden, iedereen heeft te maken met klimaatverandering, iedereen heeft te maken met de oorlog in Oekraïne en met de grote veranderingen die die afschuwelijke en misdadige oorlog wereldwijd heeft, iedereen heeft te maken met nep-nieuws en de pogingen om de wetenschap, de overheid in diskrediet te brengen en de democratie te ondermijnen.

Vanwege die veranderingen in zijn tijd begint de schrijver met ‘het leven is lucht, vluchtig als een ademtocht’. Vanwege de veranderingen in onze tijd klinkt dat begin ook voor ons herkenbaar. De vastigheid van structuren, de stevigheid van tradities, de duidelijkheid van waarden en normen waren toen verdwenen en zijn nu verdwenen.

In het boekje komt dat basisgevoel van veranderlijkheid en vluchtigheid in alle toonaarden terug. Een toonaard hebben we net gehoord, in een van de twee fragmenten gaat het om werk, en om de ervaring dat je met inspanning en toewijding je ergens voor inzet en dat anderen dan met de eer gaan strijken. Dat is oneerlijk, onbillijk, een schandaal, zegt Prediker. Daarmee verwoordt hij een ervaring en een gevoelen niet alleen van zijn tijd.

Maar misschien wel het bekendste gedeelte uit die boekje, is een gedeelte over de tijd, een gedeelte dat zelfs een populaire popsong geworden in de zestiger jaren van de vorige eeuw gezongen door the Byrds – To everything (turn, turn, turn) There is a season (turn, turn, turn) – Een lied over het voortdurend verstrijken van de tijd. We leven allen in de tijd, wij zijn ons min of meer bewust van het verstrijken van de tijd, de ene keer gaat die snel, de andere keer langzaam. Over een paar weken klinkt op de radio ongetwijfeld weer een ander lied, een lied uit de zeventiger jaren: ‘het is weer voorbij die mooie zomer’. Prediker vergroot als het ware die ervaring van de verstrijken van de tijd tot uitersten: er is een tijd van oorlog, er is een tijd van vrede, van verzamelen en van verstrooien, van sparen en van opmaken, van praten en van zwijgen, van geboren worden en van doodgaan. We leven in uitersten of beter tussen uitersten. Bij geboren worden en doodgaan is dat letterlijk zo: wij leven tussen geboren worden en doodgaan. Ons leven draagt daardoor voortdurende de kenmerken van die twee uitersten, al was het alleen maar in dat dagelijkse wakker worden en in slaap vallen. ‘Hoeveel stiller dood dan slapen is’ zegt de dichter Bloem

Voor iedere mens die zich bewust is van die vluchtigheid en veranderlijkheid in alle toonaarden, van het onvermijdelijke en van het oneerlijke ook, roept die vluchtigheid vragen op. Vragen over hoe je je tot dat voortdurende verstrijken van de tijd, hoe je je tot dat onvermijdelijke proces moet verhouden. Moet je het gewoon over je heen laten komen? Of moet je je verzetten? Moet je je mee laten drijven of moet je tegen de stroom in zwemmen? In de loop van de geschiedenis zijn er allerlei antwoorden op gegeven. Bijvoorbeeld dat wat er ook gebeurt, je het maar beter over je heen kunt laten komen zonder dat je je er al te druk over maakt. Of dat je het als een – min of meer- onbegrijpelijk noodlot moet accepteren, zoals een Australische politicus dat eens zei toen hij bezuinigingen afkondigde: ‘life was not meant to be easy’ – het leven is niet makkelijk bedoelt. Of dat je met volle teugen moet genieten wanneer het goed gaat en nergens anders aan moet denken.

Het is jammer dat het fragment dat we net gehoord hebben stopt waar het stopt, omdat daardoor zoiets van een antwoord op die vragen niet is opgenomen. In de volgende verzen brengt Prediker namelijk God ter sprake, brengt hij God in verband met dat onvermijdelijke proces. Dat is natuurlijk waarom zo’n boekje opgenomen is in de Heilige Schrift, waarom we het hier vandaag lezen: omdat het iets zegt over God.

‘Ik ben gaan begrijpen’, schrijft Prediker, ‘dat ook deze dingen door God zijn ingesteld, of kan er soms iemand iets eten, ergens van genieten, buiten hem om?’ Een antwoord waarin dus gezegd wordt dat wat ons overkomt, wat we meemaken, dat we dat met God in verband moeten brengen. Maar hoe? Iets in de trant van wat we uit het boek Job kennen en dat vroeger wel op bidprentjes stond van te vroeg gestorven kinderen: ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’?

Prediker geeft een wat ander antwoord, denk ik. Er is tenminste een zinnetje na dat gedeelte over ‘er is een tijd … er is een tijd’ dat mij aan op een ander spoor zet en mij te denken geeft gezet en waar ik – eerlijk gezegd – nog niet over uitgedacht ben. ‘Maar de mensen heeft hij meer tijd en duur gegeven dan hun hart kan bevatten’. Ik begrijp dat zinnetje zo: God heeft in ieder van ons iets gelegd waardoor we staande in dat onvermijdelijke proces van verandering en vervluchtiging, dat proces kunnen gebruiken als een aanzet tot zoeken en verlangen, tot zoeken naar wat verder ligt, omzetten in verlangen naar God die altijd groter is, altijd anders is, altijd verrassend is. We kunnen ons neerleggen bij dat onvermijdelijke proces van verandering en vervluchtiging, of we kunnen als gelovigen er het beste van maken. Dat is dan niet genieten als het kan en doorbijten als het niet echt gaat, of beter dat is niet alleen maar genieten als het kan en niet alleen maar doorbijten als het niet anders kan, maar als gelovigen er het beste van maken is door alles heen ons hart volgen en God zoeken.

Featured Image

Op vakantie in de Cenakelkerk

Ontdek deze zomer de verhalen van de Cenakelkerk tijdens twee bijzondere vieringen:

Op zondag 24 juli vertelt Johannes over zijn visioen van de hemelse stad Jerusalem, weerspiegeld in de architectuur van de kerk.
Op zondag 7 augustus neemt de apostel Barnabas je mee langs de muurschilderingen met hoogtepunten van zijn reizen met de apostel Paulus. Beide vakantievieringen beginnen om 11.00 uur.

Ook buiten deze vieringen kan je de kerk van binnen bekijken en nog meer verhalen horen via de beschikbare audiotour (€3,00 een deel van de opbrengst gaat naar de kerk). Do/vr/za/zo 14.00-16.30 uur.

Featured Image

Overweging 16/17 juli 2022  Cenakelkerk

Overweging 16/17 juli 2022  Cenakelkerk

Eerste lezing Genesis 18, 1-10a /  Evangelie Lucas  10, 38-42

 

Gastvrijheid

In de kloosterregel van de heilige Benedictus van Nursia (6e eeuw) staat dat ‘alle gasten worden ontvangen als Christus zelf’. In het eerste hoofdstuk over de gastenontvangst staat niet DE gasten maar ALLE gasten.

Dat betekent: iedereen zonder uitzondering. Van nature zijn wij geneigd om voorkeuren te hebben in onze gastvrijheid, op gebied van huidskleur, uiterlijk, ras en religie.

Gastvrijheid begint met een onvoorwaardelijke openheid voor de ander zoals die is. We merken dat wij selectief omgaan met gastvrijheid.

Gastvrijheid. In Genesis staat een prachtige beschrijving van een gastvrij onthaal. Gastvrijheid die als een soort ritueel verteld wordt, in drie stappen. Abraham buigt zich diep voor de reizigers. Hij nodigt hen uit om te rusten onder de boom. Hij biedt hen een lekkere, stevige maaltijd aan.

Zich buigen is een gebaar dat uiting geeft aan een diepe eerbied voor de bezoekers zoals ze zich nu aanmelden. Meestal komen mensen ongevraagd ons leven binnenvallen. Ze staan er, zonder dat we ze uitgenodigd hebben. Ons buigen betekent hier dat we de ander als ander, zoals hij of zij is, tegemoet treden en niet zoals wij zouden willen dat die ander is. En dat we die ander als zodanig ook in ons leven willen toelaten.

Abraham nodigt zijn gasten uit om te rusten onder de boom. Maar eerst krijgen ze water om zich te verfrissen en al het stof van hun voeten af te wassen. Het stof van vooroordelen en etiketten. De gastheer laat de anderen als nieuw op hem afkomen. Als we gastvrij voor een ander zijn, bieden we een plek waar hij tot rust mag komen. Waar de ander zichzelf mag uitspreken en waar geluisterd wordt.

De stevige maaltijd die Sara en Abraham hun gasten aanbieden, zal hun versterken tijdens de lange weg die zij nog te gaan hebben. Want gasten blijven niet, ze gaan verder. We laten hen los, blij dat we ze konden sterken met ons voedsel en onze zorg en onze aandacht.

Als we op zo’n manier gastvrij zijn, zoals Sara en Abraham in het verhaal, merken we telkens opnieuw dat we veel meer ontvangen dan we zelf geven. De drie mannen zijn Jahwe zelf, God die toekomst geeft aan het gastvrije koppel-zonder-perspectief. God-Jahwe, onder de gedaante van de drie gasten, voorzegt immers dat de onvruchtbare Abraham en Sara nog een zoon zullen krijgen.

In de lezingen van vandaag zie ik twee lijnen. De eerste is de gastvrijheid zoals Abraham en Sara die zichtbaar maken. Aansluitend bij de regel van Benedictus.
Tweede lijn is de menselijke kant van gastvrijheid. Hoe willen wij gastheer en gastvrouw zijn? Of past het woord gastgever beter in deze tijd? Maria en Marta willen het liefst alle aandacht geven aan hun gast Jezus. Een gast ontvangen vraagt voorbereiding.  We lezen niet hoe de voorbereiding op het bezoek en zijn ontvangst was. Hebben ze een buiging voor hem gemaakt, hem verfrissing en eten aangeboden?  Marta, wat vrouw des huizes betekent, is geïrriteerd. Tussen de zussen botert het niet. “Ik moet hier alléén het werk doen”, moppert Marta tegen Jezus, “zeg eens aan mijn zus dat ze mij een handje toesteekt, in de plaats van alleen maar met ‘hogere dingen’ bezig te zijn.”

Je zou verwachten dat Jezus zich zal inleven in de situatie van Marta. Maar nee, ze krijgt prompt als antwoord: “Marta, Marta, wat maak je je druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.” Einde verhaal. Daar moeten we het mee doen. Op het eerste gezicht wordt het praktische werk niet erg hoog gewaardeerd door Jezus. Maar is dat zo?

Bezig zijn met het dagelijks bestaan, dat is voor veel mensen een probleem: “Wat heeft mijn dagelijks gezwoeg, mijn materieel bezig zijn te maken met mijn geloof? Iedere dag hetzelfde: werken, boodschappen doen, eten maken, in de tuin werken, schoonmaken, bezig zijn met de kinderen,…etc. Wat hebben die mensen toch geluk die al die zorgen niet hebben en zich kunnen bezighouden met het ‘hogere’!”

Precies dat probleem, namelijk het samengaan van ons lichamelijk, materieel, dagelijks bestaan en ons geestelijk, religieus, gelovig leven, is de kern van het korte evangelieverhaal over de ontvangst van Jezus door Marta en Maria. Marta en Maria zitten in elk van ons.

Jezus is nogal radicaal met zijn woorden: slechts één ding is nodig. Genuanceerder kan het verstaan worden als eerst het woord, eerst luisteren, eerst gebed. En dan verder gaan met andere taken, zich buigen voor anderen en ze versterken.

Vandaag zijn wij hier te gast. We komen tot rust en zijn genodigd aan tafel. God ontvangt ons persoonlijk, onze naam in de palm van zijn hand. We zijn te gast in deze Cenakelkerk, met dank aan allen, man en vrouw, die we Marta en Maria mogen noemen. Amen.

 

Featured Image

Preek voor de 15e zondag 10 juli 2022

Preek voor de 15de zondag van het jaar 2022

Of we dat eerste gedicht van Remco Campert in de klas gelezen hebben, weet ik niet meer. Misschien wel, want we lazen niet alleen Vondel en Gezelle, maar ook Marsman en Hanlo, misschien niet want dat gedicht van Campert herinner ik me niet. Van die andere dichters spelen zo nu en dan nog flarden door mij heen, meestal door dingen die om mij heen gebeuren. “Een felle dood die nu geen wit mag zien verschoont de grijze lien”: dat begin van het gedicht van Vondel bij de uitvaart van zijn dochtertje komt op wanneer ik geconfronteerd wordt met een te vroege dood. “De bomen strooien weer de weg met wakke winterblaren die vol gevangen morgendauw te gronde nedervaren” zijn regels die passen bij de komst van de herfst met alle gevoelens van dien. Aan ‘Grootsch en meeslepend wil ik leven, hoort ge dat vader moeder wereld knekelhuis’ moet ik denken als ik jonge mensen met passie tegenkom, en ‘Oote oote boe’ zeg ik soms als ik hoor wat politici in de Kamer zeggen. Maar dat kan ik niet zeggen van dat eerste gedicht van Campert, van die beginzin: ‘ik geloof in een rivier die stroomt van zee naar de bergen’. Die zin las ik in een van de kranten bij het overlijden van Campert de afgelopen week en die zin is blijven doorzingen in mijn hoofd. Waarom?

Vanwege dat begin: ‘ik geloof’ die de vraag oproept waarin ik geloof? Waarschijnlijk wel, want die vraag komt niet alleen op wanneer we hier in de kerk de geloofsbelijdenis bidden of zingen. Het is een vraag die telkens opkomt in mijn werk natuurlijk, maar ook als ik nadenk over wat er in onze maatschappij in Nederland gebeurt en wat er in andere landen wereldwijd gebeurt, ontwikkelingen die mijn, die onze waarden en normen raken, bevragen en zelfs ondermijnen. Waar geloof ik nog in? En ik gebruik met opzet dat verraderlijke woordje ‘nog’ hier terwijl ik dan anders nooit doe als het om geloof gaat, omdat ik merk dat er grote verschuivingen plaatsvinden en dat het vertrouwen in overheid, in wetenschap niet meer vanzelfsprekend is.

‘Ik geloof in een rivier die stroomt van zee naar de bergen’ is ook blijven doorzingen vanwege die omgekeerde werkelijkheid: de rivier die van de zee naar de bergen stroomt. ‘Dat kan toch niet’ is waarschijnlijk de eerste reactie van veel mensen als ze die dichtregel lezen. Dat kan toch niet: van zee naar bergen stromen. Maar omdat het niet kan, of preciezer omdat het niet gebeurt, zette het mij aan het denken. Dat rivieren naar de zee stromen is een gegeven uit de natuur, een wetmatigheid: water stroomt altijd van hoger naar lager. En als je er even bij stil staat, ontdek je snel dat we van wetmatigheden uitgaan, niet alleen op het natuurlijke gebied, maar ook op andere gebieden. Wetmatigheden zijn een onderdeel, een belangrijk onderdeel van ons leven. Dat is waarom de coronapandemie zo hard aankwam – we moesten ineens ons leefpatroon drastisch wijzigen. Dat is waarom dat dichtdraaien van de gaskraan zo hard aankomt: we moeten serieus met allerlei scenario’s rekening houden en zoals ik iemand die een hoge functie heeft in de energievoorziening hoorde zeggen: ook met het zwartste scenario, een koude winter en weinig gas. Door die natuurwetmatigheid van water dat altijd van hoger naar lager stroomt om te draaien wijst de dichter op de belangrijke rol van wetmatigheden in ons leefpatroon en wijst hij er tegelijkertijd op dat wetmatigheden ook kunnen veranderen. Die verandering kan negatieve reacties oproepen – dat hebben we in de coronapandemie gemerkt, dat merken we nu rond de stikstof-discussie, de discussie over windmolenparken -, maar die verandering kan ook positieve reacties oproepen. En dat is wat de dichter bedoelt, denk ik, dat is waarom hij bij die omgekeerde werkelijkheid ‘ik geloof in’ gebruikt. Die positieve reacties hebben te maken met nieuwe kansen, met ongekende mogelijkheden, met verrassende vergezichten.

Zoiets speelt ook in de tekst van Paulus die we net gehoord hebben. Paulus gebruikt wel niet ‘ik geloof’ en praat ook niet over een geloofsbelijdenis, maar dat is die tekst, dat lied in feite wel. Paulus heeft deze tekst niet zelf geschreven, maar heeft een bestaand lied genomen en misschien wat aangepast. Paulus doet hier iets dat later in de kerk als een soort wet wordt geformuleerd: lex orandi lex credendi, je bidt zoals je gelooft en je gelooft zoals je bidt. Zoals in dat gedicht van Campert zet de eerste zin de toon, en zoals in dat gedicht van Campert gaat het om een omgekeerde werkelijkheid. Jezus het beeld van de onzichtbare God. Dat het hier gaat om een omgekeerde werkelijkheid zal ik proberen uit te leggen.

In die eerste zin staat wel niet het woord ‘zichtbaar’, maar de term ‘onzichtbaar’ roept dat wel op. Het beeld van de onzichtbare God is een zichtbaar beeld. Die tegenstelling zichtbaar – onzichtbaar is een aparte, is niet een tegenstelling die we in onze werkelijkheid tegenkomen, zoals jong – oud, stad – platteland, nat- droog, boven- beneden. Dat zijn allemaal tegenstellingen die we kunnen zien, maar wat onzichtbaar is kunnen we niet zien en of er iets onzichtbaars is, is ook niet duidelijk. Mensen kunnen wel het gevoel hebben dat er iets onzichtbaars is, een sfeer bijvoorbeeld, maar niet iedereen is gevoelig daarvoor. En voor veel mensen telt alleen wat zichtbaar, tastbaar, waarneembaar is met onze zintuigen of met apparaten. Onze werkelijkheid is zichtbaar en zeggen dat iets onzichtbaars is, is – net als zeggen dat rivieren van de zee naar de bergen stromen – de werkelijkheid omkeren, is ons idee over de werkelijkheid uitrekken, is wijzen op nieuwe kansen, is ongekende mogelijkheden creëren.

Onzichtbaar-zichtbaar: dat raakt de kern van ons geloof, dat de onzichtbare God zichtbaar geworden is in Christus Jezus, dat zoals het later klinkt in dit lied ‘God in heel zijn volheid heeft willen wonen’. Of zoals dat in de proloog op het evangelie van Johannes staat: niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon heeft hem ons doen kennen, en later in dat evangelie zegt Jezus bij de afscheidsrede: wie mij ziet, ziet de Vader.

Zichtbaar-onzichtbaar: dat zijn ook de woorden die gebruikt worden als later nagedacht wordt over sacramenten: dat zijn ‘zichtbare tekenen van onzichtbare genade’, een definitie die een echo is van die Christus Jezus is het beeld van de onzichtbare God. Daarom zijn sacramenten ook zo belangrijk voor christenen, kunnen wij ons geloofsleven niet voorstellen zonder sacramenten. Op alle belangrijke momenten van ons leven spelen die zichtbare tekenen van onzichtbare genade een rol, bij begin en eind, bij grote keuzes die we maken voor ons leven en ook voor de gewone gang van zaken, om te kunnen leven en goed te kunnen leven.

Ik weet dat het niet gebruikelijk is om te zeggen dat wij als christenen sacramenten zijn, dat wij zichtbare tekenen van onzichtbare genade zijn, maar ik merk dat ik meer en meer over ons denk in die termen. Dat mag misschien wat vreemd klinken, dat mag misschien ook pretentieus klinken, maar net als die rivieren die van de zee naar de bergen stromen zijn wij als zichtbare tekenen van onzichtbare genade ongekende mogelijkheden.

Featured Image

Preek voor de 14de zondag door het jaar 3 juli 2022

Preek voor de 14de zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk

Deze week werd weer in alle hevigheid duidelijk hoe moeilijk en hoe gecompliceerd de meest eenvoudige menselijke handelingen zijn: luisteren, met elkaar praten, de ander iets vertellen, de ander begrijpen, communiceren. Hoe moeilijk het is een goede balans te vinden tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds. Die balans is nodig. Niemand van ons staat immers blanco in het leven: we hebben vanaf onze geboorte van alles meegekregen in onze opvoeding en scholing, we hebben gaandeweg van alles meegemaakt, we zijn een onderdeel geworden van een gezin/familie van een maatschappij, we zijn lid geworden van een vereniging, van een club, we werken of hebben gewerkt, we hebben hobby’s of interesses gekregen. Dat alles bepaalt mee wat we horen, hoe we de ander verstaan, wat we begrijpen. Dat alles maakt ook dat proces van communicatie mogelijk. Als we geen enkele kennis, geen enkele voorkennis hebben, begrijpen we niet wat we horen of lezen. Maar tegelijkertijd kan die kennis, die voorkennis ook tot vooringenomenheid leiden, tot een manier van denken, complot denken, waardoor luisteren en praten, vertellen en begrijpen niet meer mogelijk wordt, waardoor dat proces van communicatie gefrustreerd en geblokkeerd wordt.

Wanneer we hier in de liturgie luisteren naar Gods Woord, wanneer we lezen uit de Schrift spelen deze zaken ook, dan gaat het ook om de goede balans te vinden tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds. Soms is dat vrij gemakkelijk. Neem nu het evangelie van vandaag. Jezus zendt zijn leerlingen uit, geeft hun een reisadvies mee en opdracht voor hun werk. Helder en duidelijk, zeker op het eerste gehoor. Er zitten natuurlijk wel wat haken en ogen aan dat reisadvies, – zonder geld, zonder bagage, zonder die reisverzekering waarmee je direct een nieuwe auto hebt, maar dat heeft niet met onbegrip of blokkade te maken. Integendeel precies omdat we weten hoe belangrijk geld en bagage en een reisverzekering zijn, begrijpen we dat advies, zet het ons aan het denken, kunnen we het er mee eens of oneens zijn.

Maar soms is die balans tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds moeilijker, moeten we er moeite voor doen. En dat is vandaag ook aan de hand en wel in die tekst van Paulus. We hebben het slot gehoord van zijn brief aan de Galaten. Om te begrijpen wat Paulus hier schrijft is het al nodig te weten dat hij die brief schrijft aan gemeenschappen die hij gesticht heeft, aan mensen die door zijn prediking tot geloof zijn gekomen. Hij schrijft die brief omdat hij gehoord heeft dat ze teruggevallen zijn in oude praktijken. Hij is teleurgesteld, kwaad zelfs, noemt ze zelfs dom.

Wat is er gebeurd? Waarschijnlijk zijn er in die gemeenten na Paulus’ vertrek joden-christenen uit Jeruzalem gekomen en die hebben verkondigd hebben christenen, of ze nu Jood of heiden zijn, de joodse wetten moeten onderhouden, en dat wordt toegespitst op de kwestie van de besnijdenis. De besnijdenis staat daardoor voor het geheel van de wetten en de voorschriften, voor een vorm van geloof, zoals burka’s of hoofddoekjes staan voor een vorm van de Islam. Naar wat die mensen uit Jerusalem verkondigd hebben, hebben de Galaten die hij tot het geloof had gebracht geluisterd. Ze zijn vergeten wat hij hun verkondigd had en in die brief zet hij zijn verkondiging nog eens uiteen. In het slot dat wij gehoord hebben vat Paulus zijn argumenten in de brief samen. De kern is een zin die een soort one liner is, een zin die je gemakkelijk kunt onthouden, een soort politieke leus ook, een zin die een heel programma inhoudt, een zin die de hele brief samenvat: besneden zijn betekent niets en onbesneden zijn betekent niets, het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn.

Als je weet dat de discussie toegespitst is op de besnijdenis, dan is het logisch dat Paulus zegt: besneden zijn betekent niets. Maar Paulus voegt er direct aan toe onbesneden zijn betekent niets en daarmee maakt hij duidelijk dat het hem niet gaat om de ene of de andere uiterlijke vorm, maar om elk vertrouwen op iets uiterlijks: alsof het om de vorm, alsof om het uiterlijk zou gaan. En na gezegd te hebben waar her niet om gaat, zegt hij waar het wel om gaat. Het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn. Wat bedoelt Paulus hier? Waarom formuleert hij de kern zo? Je mag toch aannemen dat hij dat bewust doet, dat hij bewust zegt dat het er om gaat een nieuwe schepping te zijn. Paulus legt dat niet uit. En omdat hij ook zegt dat het alleen daarom gaat, is het van het grootste belang te begrijpen wat hij bedoelt. En nu gaat dat proces van communiceren spelen, tenminste bij mij door mijn kennis, voorkennis als theoloog. Ik probeer die kennis te verhelderen en dan kunt u aan het eind beslissen of die kennis geholpen heeft om Paulus te begrijpen of juist die kennis geblokkeerd heeft.

Het is gebruikelijk om dat grote gebied van de theologie onder te verdelen in onderwerpen: elk onderwerp heeft zijn eigen, typische vraagstelling, blikrichting en ook zijn eigen punten van discussie en problemen: als je over de kerk wil na denken, ben je met andere vragen bezig dan als je over Jezus wilt nadenken: bij een gemeenschap spelen andere vragen dan bij een persoon. En dat geldt ook voor de schepping. Dat is een onderwerp met een eigen blikrichting en een eigen vraagstelling. Die blik en die vragen hebben te maken met wat als het ware onder de werkelijkheid ligt die we ervaren. Nadenken over de schepping is nadenken over wat fundamenteel is voor alles en iedereen.

We zien van alles, maar als je nadenkt over dat alles als geschapen dan kom je tot de ontdekking, tot het inzicht dat dat allemaal er niet had hoeven zijn. ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ Als God niet in het begin de hemel en de aarde geschapen had, was er niets geweest. Je kunt dit inzicht ook zo formuleren: alles wat je ziet is een gave, heb je gekregen, ook jezelf. Maar je kunt dan een stap verder gaan zeker wat mensen betreft.
We zien mensen, jong, oud, vrouw, man, maar als je over mensen nadenkt als schepsel, dan denk je over hen na in verband met de Schepper. Wie schepsel zegt, zegt Schepper. Of om het te formuleren met een term die aan het eind van dat mooie scheppingsgedicht klinkt dat we altijd in de paaswake horen: elke mens is beeld van God. Verschillende mensen hebben verschillende talenten, de een heeft aanleg voor sport, de ander voor wetenschap, weer een ander voor techniek, weer een ander voor koken. Maar elk schepsel heeft als beeld van God een talent voor God, een aanleg voor God.
En dan kunnen we nog een stap verder gaan: dat beeld van God, die aanleg voor God is een fundament, dat is voor ieder van iets om op te bouwen en te vertrouwen. Maar zoals bij elk talent, bij elke aanleg: die moet je wel ontwikkelen, dat fundament moet je wel gebruiken, anders is zo’n fundament waardeloos. Dat is, denk ik, de reden waarom Paulus spreekt over nieuwe schepping. Je moet die aanleg voor God ontwikkelen, in cultuur brengen. Daar gaat het hem ten diepste om: Het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn.

Als ik dan met dat inzicht, met die voorkennis over schepping en schepsel, over elke mens als beeld van God de brief aan de Galaten weer doorlees, valt mij op dat Paulus toch wel die nieuwe schepping uitlegt: hij gebruikt die term nieuwe schepping dan niet, en praat ook niet over beeld van God of aanleg, maar hij zegt wel dat er geen verschil is tussen Griek en Jood, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, natuurlijk zijn die verschillen er wel, maar ze doen er uiteindelijk niet toe, omdat het om iets anders gaat: christen zijn, Christus aantrekken. (3, 27-28) En hij praat over leven in en door de Geest en hij praat dan heel concreet over de kenmerken van zo’n ‘geestelijk’ leven: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid (5, 22-23). Zelfs als je maar even stil blijft staan bij een van die kenmerken, ontdek je direct dat het om iets gaat dat voortdurend oefening en training vraagt. Als we deze lijst bespreken met de vormelingen vragen we altijd ook om aan te geven waar ze al voldoende van hebben. Elke keer beantwoord ik die vraag ook en merk dan dat ik bij alle die woorden moet zeggen: onvoldoende. Ik vermoed dat ik niet de enige ben. En je kunt je zelf de vraag stellen of je er ooit voldoende van hebt: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid.

Die kennis vanuit dat denken over de schepping heeft mij niet geblokkeerd. Integendeel. U ook niet , hoop ik.

Featured Image

Preek voor de 13e zondag door het jaar 26 juni

Preek voor de 13de zondag door het jaar 2022

Inleiding

Vandaag beginnen we aan een reeks gewone groene zondagen, die doorloopt tot het eind van het kerkelijke jaar met zo nu en dan een feest, Maria ten Hemelopneming, Allerheiligen-Allerzielen en Christus Koning en wij hebben dan hier twee aparte vakantievieringen over Bijbelse achtergrond van de architectuur van deze kerk en over een lijn die in de afbeeldingen rondom ons te zien valt.
Het is mooi dat we op deze eerste gewone zondag een gedeelte uit het evangelie van Lucas horen dat begint met een reis. Niet zomaar een reis, geen vakantietrip, maar een reis die van alles met de levensweg van Jezus te maken heeft. Een reis bovendien die niet alleen de levensweg van Jezus betreft, maar ook die van anderen: we horen een paar korte ontmoetingen onderweg die alle met volgen te maken hebben. Ontmoetingen, discussies die misschien herkenbaar zijn.

Preek

Inflatie was een van de woorden die ik de afgelopen week herhaaldelijk hoorde op radio en tv, inflatie, natuurlijk in verband met prijzen en lonen, met geld en economie, met pensioenen, maar ook in verband met heel andere zaken. Met het gebruik van het woord ‘crisis’, dat werd gebruikt voor ongeveer alles wat nu speelt in onze maatschappij: wantrouwen in de politiek, stikstof, protest van de boeren, oorlog in Oekraïne, Schiphol, opvang van asielzoekers, de klimaatverandering, de onderbezetting in de zorg en het onderwijs, het gebrek aan huizen. En omdat dat woord ‘crisis’ voor al die zaken werd gebruikt, was het aan inflatie onderhevig werd gezegd.

Dat commentaar op taalgebruik viel mij op, omdat ik die inflatie van taal wel vaker opmerk. Het gemak waarop mensen zeggen dat iedereen iets vindt, of dat we allemaal uitkijken naar het optreden van een artiest, of dat we met z’n allen besloten hebben, of dat iemand altijd klaar stond voor iedereen: dat gemak leidt tot taalinflatie. Wanneer ik dat soort opmerkingen hoor, merk ik bij mij de neiging ‘ik niet’ te roepen of zo. Woorden als ‘altijd, ‘iedereen’, ‘allemaal’ zijn woorden die aan inflatie onderhevig zijn. En wanneer mensen mij vragen of alles goed gaat, zeg ik meestal: niet alles, wel veel, maar niet alles.

Dat commentaar op taalgebruik viel mij ook op vanwege het woordje ‘crisis’. Ik weet wel dat de herkomst van woorden niet beslissend is voor hoe we woorden nu gebruiken, maar soms helpt het wel te weten waar een woord vandaan komt. ‘Crisis’ is een woord dat uit het oude Grieks komt en dat met onderscheiden en beslissen te maken heeft.

Nu is onderscheiden, beslissen een proces dat gelaagd is. Elke dag nemen we heel wat beslissingen waar we niet of nauwelijks over nadenken, elke dag nemen we beslissingen uit gewoonte en gelukkig maar. Stel je voor dat je bij alles wat je doet moet nadenken, dat je elke keer de argumenten voor en tegen op een rij moet zetten en dan afwegen, dat je bij alles wat je zo door de dag doet, twijfelt, wel of niet. Maar er zijn ook momenten waarop je dat wel doet, wel moet doen. Dan moet je bezig houden met beslissingen, met keuzes die als het ware onder die gewone dagdagelijkse keuzes liggen. Om het maar bij heel gewone zaken te houden. Koop je nog groenten en fruit die van de ander kant van de wereld ingevlogen zijn of houd je het bij seizoensgebonden en streekgebonden groenten en fruit, koop je nog gewoon de kiloknallers kip of zoek je naar andere kippen of zelfs helemaal niet.

Ik vind het niet vreemd om voor dat soort fundamentele keuzes de term ‘crisis’ te gebruiken: momenten waarop je moet onderscheiden: dit wel of dit niet, momenten waarop je je bewust moet kijken naar je waarden en normen en moet bedenken wat gezien die waarden en normen nu je beslissing moet zijn. Als je crisis zo verstaat , is er dan nog sprake van inflatie van dat woord als het gebruikt wordt voor klimaat veranderingen enz enz ?
Aan het begin van de hele serie gewone zondagen horen we drie korte verhalen die ik ook wel met crisis zou willen aanduiden, drie korte verhalen die met die fundamentele keuzen te maken hebben, verhalen die met Jezus volgen te maken hebben. Als ik ze goed lees, vormen die drie ontmoetingen ook drie stappen in dat proces van onderscheiden en beslissen.

Het gaat om ontmoetingen van Jezus met mensen die niet met name worden genoemd en van we ook niet horen wat hun uiteindelijke reactie is geweest: zijn ze Jezus wel of niet gevolgd? Precies die twee trekken van deze drie verhaaltjes maken ze voor ons interessant en belangrijk. Omdat ze geen naam hebben, zoals ook bijna altijd in de parabels van Jezus – een vader, een vrouw, een herder, een eigenaar – kunnen wij ons met die drie mensen identificeren. Omdat ze een open einde hebben kunnen we, moeten we nadenken over onze argumenten voor en tegen.

Het gaat dus om Jezus navolgen, Jezus volgen op zijn levensweg Dat is niet iets dat vreemd is voor ons: wij zijn per slot christenen, wij zijn hier omdat we hem willen volgen. In dit gedeelte wordt dat volgen verder ingekleurd door die beginzin: dat Jezus vastberaden op reis gaat naar Jerusalem, naar zijn verheffing en vervulling, naar zijn lijden en sterven en verrijzen. We kennen die uitspraak van Jezus dat wie zijn volgeling wil zijn, bereid moet zijn het kruis op te nemen. Vandaag horen we dat de mensenzoon nog minder heeft dan dieren. ‘Ik wil u volgen waar u ook gaat’ zegt die eerste. Een principiële, allesomvattende uitspraak. De reactie van Jezus is niet ‘mooi’ of zoiets, maar Jezus zegt : weet wel wie je volgt als je mij volgt? Je volgt dan iemand die geen vastigheid heeft, geen vaste plek heeft in de maatschappij, iemand die je niet kan helpen als je je zekerheid zoekt in structuren of carrière. Als je mij volgt, volg je iemand die met lege handen staat. Durf je dat? Kun je dat, als een grondhouding in je leven? Durf je, kun je leven met vertrouwen? Daarmee zegt Jezus iets over zijn diepste motivatie: zijn Godsvertrouwen, zijn relatie met Abba Vader.

We horen niet hoe die onbekende reageert, maar we kunnen misschien wel iets zeggen over ons antwoord. Durven wij dat aan? Een van de toeleidingen tot het Onze Vader zegt dat expliciet: wij durven te zeggen: Onze Vader. En dan bidden wij het Onze Vader. Durven we dus? Voordat we daar een antwoord op geven is het misschien goed even stil te blijven staan bij die andere ontmoetingen, want daarin wordt duidelijk wat dat vertrouwen inhoudt.

In het tweede en derde ontmoeting gaat het om waarden en normen die menselijke relaties betreffen, die tot een echt menselijke cultuur behoren. Het gaat niet om toevallige argumenten, om uitvluchten of zo. In het tweede gesprek klinkt een van de tien geboden door, ‘eer uw vader en uw moeder’. Niet alleen een gebod om aardig te zijn voor je ouders, je ouders te respecteren, maar ook een gebod om de traditie waar je in staat serieus te nemen. En de doden begraven is ook een onderdeel van waardering en zorg voor anderen, een soort testcase zelfs omdat het over doden gaat. In het derde gesprek gaat het niet alleen om beleefdheid – je laat niet zomaar huisgenoten in de steek – maar daar klinkt ook iets van dankbaarheid en waardering in door.

Wijst Jezus die waarden en normen af met zijn reactie: laat de doden de doden begraven, wie omkijkt is niet geschikt? Ik denk van niet. Ik denk dat Jezus doorvraagt naar de motieven. Hij maakt niet voor niets, ook beide keren een opmerking over het Rijk van God. Om terug te gaan naar het Onze Vader: willen we dat het rijk van God ook werkelijk komt? Willen we in al die dagdagelijkse keuzes die we maken dat laten doorspelen : dat komen van het Rijk van God ?

Featured Image

Zondag 17 juli Vrijwilligersfeest

Dit jaar vieren we het vrijwilligersfeest graag samen met u op zondag 17 juli.

 

De inzet van vrijwilligers is van levensbelang voor onze kerk. Dankzij uw enthousiaste en trouwe bijdragen op allerlei gebieden kunnen wij een kerk zijn zoals door onze Heer bedoeld. Wij willen u allen bedanken voor die inzet en hoe kunnen we dat beter doen door samen elkaar te ontmoeten.

Vanaf 17.00 uur tot rond 20.00 uur bent u van harte welkom op dit samenzijn in het parochiecentrum van de Cenakelkerk te Heilig Landstichting.

Ontvangst met een bemoedigend woord en een hapje en een drankje. We hopen dat we mooi weer hebben en buiten kunnen zijn – anders zijn er voldoende beschermde plekken in de pastorie.

Voor de organisatie is het aangenaam om te weten op hoeveel mensen wij mogen rekenen. Daarom een vriendelijk verzoek om uiterlijk vrijdag 8 juli te laten weten of u komt, met of zonder partner.

U kunt u aanmelden per e-mail, locatielandstichting@h3eenheid.nl, of telefonisch op werkdagen in de ochtenduren op telefoonnummer 024-3222165.

Wij hopen dat we velen van u mogen begroeten en dat dit samenzijn ons ook het komende jaar weer zal mogen inspireren en enthousiasmeren.

Met vriendelijke groet,

Jacques Grubben, pastoor                                      Herwi Rikhof, pastor            

Contact

Centraal Parochiesecretariaat:

Hatertseweg 111

6533 AD Nijmegen

tel: 024 – 355 3630

e-mail:
parochiecentrum@h3eenheid.nl

Bereikbaar op werkdagen tussen 09.00-12.30 uur.