54215918-807a-435f-b2b0-79a42586ef01

Preek voor de 13de zondag door het jaar 2024 29/30 juli Cenakelkerk

Herwi Rikhof

Wijsheid 1,13-15, 2,23-24 Marcus 5,21-43

Corona lijkt heel lang geleden, even kwam het weer terug in het nieuws: long-covid-therapie uit het basispakket van de zorgverzekeringen omdat de therapiecombinatie – fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, diëtetiek en ergotherapie – geen aantoonbaar effect heeft. Wat heeft die corona-pandemie opgeleverd, behalve dan dat er long-covid patiënten zijn, voor wie blijkbaar nog steeds geen goede therapie bestaat? Wat heeft die corona-pandemie opgeleverd aan inzichten, gedragsverandering? Het is natuurlijk moeilijk om hierover in algemene termen te spreken en allerlei onderzoeken zijn nog bezig of net begonnen of nog niet eens begonnen. Als je om je heen kijkt, zie je oppervlakkig waarschijnlijk niet zoveel verandering van gedrag, in bijvoorbeeld reizen of in de politiek. Tegelijkertijd kun je ook signalen zien dat die pandemie gevolgen heeft gehad voor bijv. het bezoek aan musea, concerten of aan kerken, maar je weet dan niet zeker of vermindering van belangstelling alleen met corona te maken heeft.

Als ik bij mezelf te rade ga, merk ik wel dat die pandemie wat opgeleverd heeft aan inzichten en ook wel gedragsverandering, maar in hoeverre dat alleen maar door corona komt weet ik ook niet. Er zijn zoveel ontwikkelingen die invloed uitoefenen, in de maatschappij, in de kerk, maar ook in je persoonlijk leven. Corona is een van die ontwikkelingen. Maar toch. Ik merk wel dat ik de lezingen van vandaag over ziekte en dood met een zoiets als een verscherpte waarneming lees. En dat ik vooral bij de eerste lezing ben blijven haken. Misschien wel door corona.

Natuurlijk de twee verhalen uit het evangelie zijn ook verhalen die je sowieso aan het denken zetten, verhalen die ook wel herkenbaar zijn, mensen die maar niet van hun kwalen afkomen, wanhopig worden en er alles voor overhebben om goed gezond te worden, ouders met een ziek kind, een ernstig ziek kind dat sterf. Verhalen over concrete mensen, herkenbare mensen. De Schrift staat vol met verhalen over concrete mannen en vrouwen, over de Abraham, Isaac en Jacob, over Sara, Rebecca, Lea en Rachel, over Petrus en Paulus, over Martha en Maria. Als we die verhalen lezen lezen wij die verhalen zoals we verhalen over mensen lezen, of naar een film kijken: met een mengeling van interesse, nieuwsgierigheid en vervreemding. Soms herken je je in die verhalen, herken je wat die mensen meemaken, soms spreken ze aan en zou jij graag willen doen wat zij hebben gedaan, en soms zijn ze vreemd en onbegrijpelijk, doen of zeggen ze zaken die jij nooit zou doen of zeggen, soms zijn te gewoon weg te ver weg, andere tijd, andere cultuur.

Maar behalve die concrete verhalen staan er ook een teksten in de H. Schrift die als het ware dat concrete niveau overstijgen en die iets zeggen over iedereen, over de mens, teksten die iedereen, ongeacht leeftijd of geslacht, achtergrond of opleiding zouden moeten aanspreken. Een van die teksten hebben we net gehoord in de eerste lezing, een tekst uit het boek Wijsheid.

Een prachtige, diepzinnige tekst, maar ook een tekst die vragen stelt bij onze gewone ideeën, die onze gewone ideeën op z’n kop zet. Als je iets over de mens wilt zeggen, als je iets over iedere mens wilt zeggen, man of vrouw, belangrijk of onbelangrijk, moet je in elk geval zeggen dat de mens sterfelijk is. Dat is wat ieder van ons verbindt, dat is onze enige zekerheid. Sommigen zeggen dat ook voor de belastingen geldt. Niemand kan ontkennen dat we dood gaan, en dat doet die tekst uit Wijsheid ook niet, maar als gelovigen worden we door die tekst uitgedaagd om verder te kijken, om niet bij dat gegeven te blijven staan. Natuurlijk dood is dood, maar als gelovige krijgen we te horen dat dat niet het hele verhaal van ons leven is. Precies dat wat ieder van ons kenmerkt – eindigheid, sterfelijkheid – , precies dat wat voor ieder van ons zeker is – de dood, ook al weten we niet wanneer en hoe –  precies dat wordt in deze tekst niet ontkent, maar juist verdiept. En wel vanwege God, en wel vanwege ons geloof in God.

Op dat geloof in God doet de tekst uit Wijsheid een beroep, preciezer geformuleerd op God de Schepper. Straks in de geloofsbelijdenis beginnen we met ons geloof in God de Schepper uit te zeggen. De Schepper die alles, hemel en aarde, in het bestaan roept. In de tekst van Wijsheid klinkt nog meer door, niet alleen heeft God alles geschapen, maar ’Hij heeft alles geschapen om te leven’.  Dat kun je verstaan als bestaan, er zijn, dat kun je verstaan als het tegenovergestelde van de dood: het bestaan dat we allemaal kennen en waarvan we allemaal weten dat het eindig is, het leven dat eindigt met de dood. Maar over dat leven, over die vorm van leven, gaat het niet in deze lezing. ‘Hij heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid’ staat er als een soort toelichting bij over wat voor leven bedoeld wordt.

Laat ik even stil blijven staan bij die term ‘onsterfelijkheid’. Het is een term die we ook in onze gewone taal gebruiken: iemand heeft onsterfelijke roem behaald, of het tegenovergestelde iemand heeft zich onsterfelijk belachelijk gemaakt. Maar als je er over nadenkt, is het wel een vreemde term. Niets is toch onsterfelijk in onze ervaring. Iets kan wel lang duren, iets kan zelfs de eeuwen trotseren, maar aan alles komt vroeg of laat een einde, ook aan reputaties. Daar zorgen historici wel voor. Dat maakt ook de huidige klimaatverandering soms pijnlijk duidelijk. Gletsjers verdwijnen. Daaraan zou je toch niet denken als je die massieve ijsmassa’s ziet in hartje zomer. En toch. In het najaar zie ik misschien de gletsjer weer bij de Grossglochkner en zal dan zien dat die stukken kleiner is dan een paar jaar geleden. Onsterfelijkheid past niet bij onze waarneming, bij onze ervaring. Daarom is het ook een negatieve term, een ontkennende term. We hebben wel de neiging om dat soort negatieve, ontkennende termen als positieve termen te verstaan, ‘oneindig’ is een ander mooi voorbeeld, maar als we dat doen maken we een grote fout. We trekken dan het ongewone in het gewone, we reduceren het ongehoorde tot het gehoorde, we maken de gelaagde werkelijkheid van ons geloof tot een platte werkelijkheid van alledag. Een formulering die dat negatieve van de onsterfelijkheid mooi pakt staat in de prefatie van de mis voor de overledenen.: ‘u neemt het leven, God, niet van ons af, U .maakt het nieuw’. Afpakken hoort bij sterfelijkheid, nieuw maken bij onsterfelijkheid.

Maar de tekst uit Wijsheid gaat nog verder, gaat nog een laag dieper en legt die onsterfelijkheid verder uit met een andere verwijzing naar het scheppingsverhaal: God heeft de mens gemaakt ‘tot een afspiegeling van zijn eigen Wezen’. Wij, ieder van ons, zijn beeld van God. De dood kan dat niet aantasten. Maar op dit punt moet ik iets zeggen over wat ik van kerkvaders en latere theologen heb geleerd over dat beeld van God dat wij allen zijn. In de tekst van het scheppingsverhaal worden twee termen gebruikt, meestal vertaald met beeld en gelijkenis. Ik heb geleerd om die term ‘beeld’ te verstaan als zo iets als aanleg, capaciteit, en ‘gelijkenis’ als de opdracht om iets met die aanleg te doen, om die capaciteit te ontwikkelen. We zijn wel, als ik dat zo mag zeggen ‘automatisch’, dat wil zeggen als schepselen beeld van God, maar we zijn niet ‘automatisch’ op God gelijkend.

En nu worden de inzichten die ik van de coronapandemie heb geleerd relevant: dat het belangrijk en ook bepalend is de capaciteiten, de talenten die je gekregen hebt als beeld van God ook te ontwikkelen wist ik wel, maar dat je dat niet op je eentje kunt doen, maar met mensen om je heen, dat werd me echt en onontkoombaar duidelijk door corona. Ik moet het wel zelf doen, maar dat kan ik niet zonder anderen. En dat ook geen ideaal is: alleen. Ik herinner me goed de vieringen in een lege kerk, met een paar zangers en de mensen die de camera’s bedienden. Ik wist wel dat via You Tube meekeken en ik wist ook dat ze het waardeerden: de eigen kerk, de eigen pastor mailde een van onze parochianen mij. Dat leverde ook wel een mooie foto op met kerstmis, toen op de banken lichtjes stonden. Maar mooier is toch zoals nu: mensen in de kerk, een gemeenschap.

Boot 20230212_130937

Preek voor de 12de zondag door het jaar 2024  23 juni 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof

Job 38,1.8-11 / Mc. 4,35-41

Inleiding
Uit het boek Job lezen we op zondag bijna nooit: twee keer in drie jaar. Het is ook niet een gemakkelijk boek en het is niet een boek waaruit je makkelijk stukken kunt lezen. Het boek begint met God die de duivel toestaat Job op de proef te stellen. Job verliest alles. Hij beklaagt de dag dat hij geboren is. ‘Waarom’ klinkt telkens. Vrienden van hem die gekomen zijn om hem te troosten geven hun antwoorden, maar Job aanvaardt hun verklaringen niet. Aan het eind is hij zo kwaad dat hij God ter verantwoording roept. En dan komt God zelf aan het woord. God zet Job dan op zijn plaats door de schepping in herinnering te roepen en Job te vragen waar hij toen was. Dat horen we vandaag. Door die combinatie van dat fragment uit Job met het verhaal van de storm dat we in het evangelie lezen, door het Oude Testament samen te lezen met Nieuwe Testament gaan allerlei zaken uit dat scheppingsverhaal meeklinken in het verhaal van de storm en wordt dat verhaal uit het evangelie veel meer dan een verhaal over slecht weer op een meer.

Preek
Ik ben altijd wat verbaasd als mensen, ook intelligente mensen, het verhaal van de schepping in zeven dagen waarmee de Schrift begint, als mensen dat verstaan als een soort rapportage, dat verhaal letterlijk nemen en dat dan verdedigen of afwijzen. Ik ben altijd wat verbaasd omdat in het begin er natuurlijk niemand was om dat te rapporteren. Het is achteraf geschreven. Ik ben altijd wat verbaasd omdat in de tekst zelf allerlei aanwijzingen staan dat het een gedicht is, waarin op een mooie en gelovige manier over onze werkelijkheid wordt nagedacht, waarin verder gekeken wordt dan wat je met je zintuigen kunt waarnemen. Hoe kan op de eerste dag God het licht scheppen en pas op de vierde dag de zon, de maan en de sterren?

Dat verhaal, dat gedicht van de zeven dagen, is een verhaal, een gedicht over chaos en orde, kosmos, over chaos de langzaam tot kosmos tot een mooie orde wordt. Scheppen is dus de chaos beperken, de chaos inperken en de chaos onderdrukken. Maar omdat alles met chaos begint, met woest en leeg, blijft als het ware die chaos onderhuids altijd aanwezig. In een van de psalmen staat ook: als U uw Geest, uw adem weghaalt, valt alles weer terug in chaos en niets. (Ps 104) Schepping is niet alleen maar iets aan het begin, schepping is voortdurend, want voortdurend ligt de chaos op de loer. Dat is minstens éen van de boodschappen van dat scheppingsverhaal, dat scheppingsgedicht.

Dat is, denk ik, een ervaring die we allemaal wel herkennen op allerlei niveaus van ons leven: die ervaring van een dreigende chaos. Als ik geen gras maai of geen onkruid wied, ziet mijn tuin er binnen de kortste keren niet uit. Als ik mijn gelezen emails en digitale kranten niet verwijder op mijn computer is het binnen niet al te lange tijd chaos. De chaos ligt in ons leven overal op de loer. In ons persoonlijk leven. Ook in onze maatschappij. Want chaos dreigt wanneer de fundamenten van onze rechtsstaat aangetast worden, en onze rechtsstaat niet meer een vanzelfsprekend uitgangspunt is. Chaos dreigt wanneer complottheorieën over omvolking normaal blijken te worden – de spellingcontrole op mijn pc aanvaart het woord ‘omvolking’ gelukkig nog niet -, wanneer de medische wetenschap door influencers in twijfel getrokken wordt en kinderen niet gevaccineerd worden en ziek worden of zelfs sterven. Chaos dreigt wanneer landen andere landen ongestraft binnenvallen.

Wat geldt voor ons eigen leven en voor onze maatschappij, geldt ook voor de kerk. Al heel vroeg is een schip het beeld geworden voor de kerk. Wanneer Gregorius die later de Grote wordt genoemd in de 6de eeuw, min of meer tegen zijn zin, paus wordt, schrijft hij aan een goede vriend dat de kerk een krakkemikkig bootje is dat op het punt staat schipbreuk te lijden en zo wordt het verhaal over de storm op het meer het verhaal van de chaos die het schip van de kerk bedreigt. De kerk is geen stormvrije zone, hoe graag we dat ook zouden willen.

De gewone reactie op chaos in ons leven en in onze maatschappij, is ook de reactie in de kerk: angst. Een gewone, vanzelfsprekende reactie. Waarom verwijt Jezus zijn leerlingen dan dat ze bang zijn? Is dat niet oneerlijk, onredelijk? En waarom zegt hij “hoe is het mogelijk dat jullie nog geen geloof hebben?” Wat heeft geloof daar nu mee te maken?

Om een begin van antwoord te krijgen op die vraag moeten we het verhaal van de storm op het meer goed lezen. ‘Toen stond hij op’ staat in het verhaal. De evangelist Marcus gebruikt hier dezelfde term die de engel aan het slot van het evangelie gebruikt wanneer die op Paasmorgen tegen de vrouwen bij het graf zegt: ‘hij is opgewekt uit de dood’ (16,6). Het is logisch dat in het verhaal van de storm vertaald wordt met ‘toen hij opstond’ of ‘toen hij wakker werd’, zoals in de nieuwste vertaling staat, maar tegelijkertijd klinkt het verhaal van de verrijzenis mee, moet de verrijzenis meeklinken. Als je dat verband ziet, dan begin je te begrijpen waarom Jezus zijn leerlingen verwijt dat ze bang zijn of preciezer dat ze geen geloof hebben.

Voor ons christenen is de zondag de dag van de Heer, omdat we elke week op zondag de dag van de verrijzenis vieren. Centraal in ons geloof staat de verrijzenis, de verrijzenis van de gekruisigde. De verrijzenis is hét teken dat de chaos, de doodse duisternis uiteindelijk niet overwint, dat de scheppende, de voortdurende scheppende kracht van God uiteindelijk de overmacht krijgt en houdt.

Tomas Halik maakt in het boek waaruit we op woensdagen in het Leerhuis gelezen hebben in het hoofdstuk waarin hij ingaat op de identiteit van het christendom de intrigerende opmerking dat er in ons geloof niet alleen sprake is van een voortdurende schepping, maar ook van een voortdurende verrijzenis. “De overwinning van Jezus op de dood, de schuld en de angst gaat oor in de geschiedenis, in het geloof van de Kerk en in de levensverhalen van individuele mensen… geloven, christen worden betekent dat je je hart opent en je ervan bewust wordt dat Jezus op dat moment uit de dood opstaat.” (De namiddag van het christendom, 166).

Nu dus ook.

P1180233

Preek voor de 11e zondag 16 juni 2024

Preek voor de 11de zondag door het jaar 2024                                                       Cenakel

Het waren er minder dan ik gedacht had, de afbeeldingen van het Laatste Oordeel op de portalen van de Franse kathedralen die ik een paar weken geleden bezocht. Nu waren ook niet alle portalen onbeschadigd en was het gedeelte boven de toegangsdeuren niet altijd versierd met beelden. Maar in Chartres en Amiens was het Laatste Oordeel wel afgebeeld op het centrale portaal. Met rechts van Christus degenen de naar de hemel gaan en links van hem degenen die in de hel verdwijnen. Beelden die de bekende parabel van het Laatste Oordeel oproepen. Het Laatste Oordeel dat ook door veel kunstenaars is geschilderd. Het Laatste Oordeel door Michelangelo in de Sixtijnse kapel is daarvan waarschijnlijk de bekendste.

In de kathedraal van Amiens is Christus drie keer afgebeeld in het centrale portaal. Hoog in het portaal, Christus met twee zwaarden uit zijn mond. In het midden zit Christus als rechter bij het Laatste oordeel. Op de pilaar tussen de twee grote deuren, ongeveer op ooghoogte, een prachtig beeld van een uiterst serene Christus die in zijn ene hand de H. Schrift vasthoudt en met zijn andere hand zegent.

Zo’n portaal geeft ook te denken. Waarom is Christus drie keer afgebeeld? Waarom drie keer anders? Van die drie is de middelste duidelijk de belangrijkste, het Laatste Oordeel.  Dat neemt ook de meeste plaats in en vraagt dus de meeste aandacht. Maar waarom daarboven en daaronder nog een keer en waarom anders? Zijn die twee andere verbeeldingen van Christus een soort frame, een soort commentaar op die middelste Christus? Ik vermoed van wel. Zo heb ik tenminste gekeken.

Als je naar de bovenste Christus kijkt, dan zie je dus twee zwaarden uit zijn mond komen, waarschijnlijk een verwijzing naar de zogenaamde twee-zwaarden-leer waarin de wereld verdeeld wordt in een wereldlijk en een geestelijk domein met ieder een eigen rechtspraak. Een herinnering dus aan rechtspraak op alle terreinen van het leven. Daarmee wordt dat Laatste Oordeel dus versterkt. Je wordt beoordeeld op alle terreinen van je leven.

Als je zo kijkt dan zie je bovenin een principe dat we ook in onze geloofsbelijdenis tegenkomen: ‘die zal komen om te oordelen levenden en doden.‘ Paulus verwoordt dat ook vandaag in het gedeelte dat we gehoord hebben uit zijn tweede brief aan de Korinthiërs. “Want allen moeten wij voor Christus’ rechterstoel verschijnen. “

Dat wij beoordeeld worden, is niet iets dat alleen in het geloof plaatsvindt. Dat wij beoordeeld worden is eigenlijk heel gewoon in ons leven. Dat beoordelen kan een negatieve klank krijgen als het verstaan wordt als ‘veroordelen’, maar dat hoeft niet. ‘Beoordelen’ kan ook een positieve klank krijgen, en dan houdt beoordelen in, dat wij belangrijk zijn, dat wij gezien en gewaardeerd worden, dat wat we doen en laten telt en misschien wel een verschil maakt. Niet beoordeeld worden is dan genegeerd worden, overgeslagen worden, niet gezien worden.

Maar dat oordelen in het geloof heeft voor velen een negatieve klank gekregen; dat Laatste Oordeel heeft iets dreigends gekregen. Dat heeft misschien te maken met die opmerking van Paulus over Christus’ rechterstoel en ook in de parabel gaat het over een rechtszaak. Dat we een rechtstaat hebben is een positief gegeven en daar hoort een heel systeem bij: rechters, openbaar ministerie en advocatuur. Maar als een rechtszaak in het nieuws komt, of het nu gaat om de moordenaars van Peter R. De Vries, of over Ali B gaat het meestal om niet echt positieve zaken. Als dat de associaties zijn die we bij de rechterstoel van Christus hebben of krijgen, dan is het niet echt een blijde boodschap. Maar er zijn twee redenen om die negatieve associaties niet te laten meespelen wanneer het om de rechterstoel van Christus gaat. Twee redenen die als het ware ook in dat portaal van Amiens te zien zijn.

Allereerst die afbeelding van Christus in het midden. Hij toont zijn handen. Waarom hij dat doet, wordt duidelijk als je let op de figuren naast hem: Maria en Johannes, de twee die onder het kruis hebben gestaan. En er zijn engelen afgebeeld met de tekenen van het lijden: de geselkolom, de doornenkroon, de speer, het kruis. De rechter is dus de gekruisigde, degene die de tekenen van zijn lijden toont. In een mooie tekst uit de brief aan de Hebreeën wordt voor Christus een ander beeld gebruikt: niet rechter maar hogepriester, maar wordt hetzelfde aangeduid. Een hogepriester die met onze zwakheden kan meevoelen, omdat hij op de proef is gesteld net als wij. De rechter van het Laatste Oordeel verbergt zijn wonden niet, maar laat ze zien, precies om duidelijk te maken dat hij met ons mee kan voelen en ook meevoelt. Wij hoeven dus niet met angst naar dat Laatste Oordeel te kijken, want, zoals ik al zei, de rechter is de gekruisigde. Die diepe sympathie voor ons kan niet overdreven worden, kan niet genoeg benadrukt worden.

Vervolgens wordt dat Laatste oordeel wel verbeeld, zie je op zo’n portaal of op een fresco wel het verschil tussen rechts en links, zie je mensen naar de hemel gaan en in de hel verdwijnen, maar we weten ook dat het verbeelden van de toekomst niet echt kan. Het verleden kun je documenteren, daar zijn archieven voor, het heden kun je beschrijven en filmen, maar de toekomst niet. Daar kun je alleen maar over dromen, met mooie dromen, utopieën of met nachtmerries, dystopieën. De toekomst ligt niet vast, de toekomst is niet zeker.

Vorige week is op hoge leeftijd de Duitse theoloog Jürgen Moltmann overleden. In de zestiger jaren van de vorige eeuw heeft hij een belangrijk en invloedrijk boek geschreven: Theologie der Hoffnung. Als student theologie weet ik nog hoe dat boek insloeg. In de theologie was het denken over de toekomst in een soort isolatie geraakt, iets van het eind der tijden, ver weg. Maar door dat boek kreeg het denken over de toekomst een relevantie voor het heden.

Die ontdekking of herontdekking van het belang van de toekomst voor het heden geldt niet alleen voor de theologie. Als we naar ons gewone dagdagelijkse handelen kijken, kunnen we opmerken dat de redenen, de oorzaken van ons handelen vaak in het verleden ligt, dat we dingen doen omdat we dat geleerd hebben in onze opvoeding, omdat we dat gewend zijn vanuit onze ervaringen. Maar als we goed kijken, kunnen we ook opmerken dat misschien wel de meeste oorzaken, de meeste redenen van ons dagdagelijkse handelen met de toekomst te maken hebben. Hoe je over de toekomst denkt, bepaalt je doen en laten nu. Als je bang bent voor die toekomst dan maak je nu andere keuzes dan wanneer je vol hoop bent.

Het visioen van het Laatste Oordeel is utopie /hemel en dystopie/ hel tegelijk, maar dan niet als iets dat vastligt, dat zo zal plaatsvinden, maar als iets dat mogelijk is, dat afhankelijk is van onze keuzes. En nu wordt die derde Christus van belang. Die Christus wordt in zeker zin gewoon afgebeeld, hij wordt omringd door apostelen en profeten. Dat is dus de Christus van onze geschiedenis, de Christus in onze geschiedenis, de Christus die voorzegd is door de profeten en die gevolgd is door de apostelen. Hij zegent en houdt de Schrift vast, de Christus van de blijde boodschap. Hij straalt vriendelijkheid en goedheid uit, een serene Christus. Le beau Dieu wordt dat beeld genoemd, de mooie God. Dat is de Christus van het evangelie, de Weg, de Waarheid en het Leven, de ware levensweg, dat is de Christus van ons geloof.

Die onderste Christus maakt duidelijk waar we voor bedoeld zijn, niet voor de hel maar voor de hemel. Die onderste Christus maakt duidelijk, dat we geen angst hoeven te hebben voor de toekomst, voor dat oordeel, maar hoop kunnen hebben. Die bovenste Christus maakt duidelijk dat wij beoordeeld worden, dat wij door hem serieus genomen worden. Die onderste Christus vraagt of wij hem serieus nemen.

20230108_131855

Overweging 9 juni 2024 Cenakelkerk

Overweging Cenakelkerk 8-9 juni 2024 Margaret de Groot-Vlasveld

Eerste lezing 1 Kor. 12, 1, 4-13, Evangelie Marcus 3, 20-35

Dagelijks zien wij er de beelden van, families die door geweld, oorlog, natuurrampen uit elkaar gerukt worden. Hartverscheurend, waarin machteloosheid voelbaar is. Wat kan ik daarin betekenen? Het helpt mij om mijn wereld soms kleiner te maken en te kijken waar ik wel van betekenis kan zijn. Daarin wil ik twee woorden centraal stellen. Familie en geloofsgemeenschap.

Familie, iedereen heeft een familie, met een familienaam, een stamboom. Degenen die door adoptie niet bekend zijn met hun biologische familie doen vaak moeite om te achterhalen hoe die familie is.

Er zijn familiebanden via de 1e, 2e of 3e graad. Van jongs af aan zijn wij verbonden met onze bloedverwanten, waarbij de gelijkenis van uiterlijke kenmerken en karakter kan overeenkomen. Ik hoor het nogal eens: wat lijk jij op je moeder! Bij het volwassen worden komen er schoonfamilies bij, die wij allemaal familie noemen. In families zijn er soms hechte banden, ook de conflicten en onenigheid komen nogal eens voor. Voor ouders is er vaak een onvoorwaardelijke band met hun kinderen, het verhaal van de verloren zoon is bij uitstek een voorbeeld hoe de zoon door de vader ontvangen wordt. In het Evangelie lezen wij dat Maria, Jezus moeder, en zijn broers zich zorgen maken over het gedrag van Jezus en hem gaan opzoeken.

Vanuit zijn voorbeeldfunctie heeft Jezus een spoor achterlaten dat niet aansluit bij zijn gedrag dat Marcus hier opschrijft. Jezus lijkt buiten zinnen, zo begeestert is hij om zijn innerlijke stem, te laten horen.

Een spoor achterlaten, dat is belangrijker dan de weg die je gaat. Het is een tegeltjeswijsheid, die sporen of herinneringen oproept van de mensen en allerlei situaties die je op je weg bent tegengekomen. In de loop der jaren ben ik 6 keer verhuisd en iedere periode schrijft andere ervaring, hierbij denk ik aan de verschillende kerken en geloofsgemeenschappen die van betekenis geweest zijn. Voor u zal dat ook zo zijn, beelden komen terug. Als meisje mocht ik bruidje zijn, meelopen met de processie bij o.a. een priesterwijding of op Sacramentsdag; misdienaar zijn was weggelegd voor jongens. Ik was koorlid van het jongerenkoor dat mijn vader in 1967 oprichtte, lid van de tekstgroep, later doop-, eerste communie- en vormselwerkgroep, lector, ziekenbezoekgroep, parochievergadering en ging avondwake’s leiden. Ik groeide mee en iedere periode was waardevol.

Ik hoorde een innerlijke stem, het moment kan ik me precies herinneren, op een ochtend thuis bezig met huishoudelijke taken. Het geroepen worden om vanuit mijn pastorale taken als vrijwilliger als pastoraal werker te gaan vervullen. Een parttime studie theologie van 7 jaar volgde. Al deze herinneringen zijn facetten geworden om mee verder te gaan.

De kerkgebouwen, ieder met hun eigen kleur, akoestiek en glas in lood, zijn van steen met een deur die naar stilte openstaat, waar vreugde en verdriet gedeeld is. Meer affiniteit heb ik met het spoor dat de levende stenen, de geloofsgemeenschap heeft achtergelaten. Zou Jezus ook een geloofsgemeenschap voor ogen gehad hebben toen hij zei: “wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders? Hij maakt de kring groter door te benoemen dat iedereen die de wil van God volbrengt, familie van Hem en van elkaar is. Samen een geloofsgemeenschap vormen door te leven vanuit een eenheid en een veelheid. De eenheid van het ene lichaam van Christus, de Vader en de Geest. De veelheid is dat wij daar allen bij horen, gedoopt in één geest, zo verschillend als wij zijn. Ieder met een eigen gave en talent. Ook dat mogen wij op onszelf betrekken. Afkomst speelt geen rol. Uit welk land je ook komt, of welk volk, welke cultuur, of uit welke kerk. In dit huis van God zijn wij allen welkom, onafhankelijk van opleiding, werk of functie, man of vrouw, burgerlijke status of zoekend naar identiteit: hoe verschillend ook, samen zijn wij één. En dat is niet zo eenvoudig als het lijkt. Met een fusie van verschillende parochies tot een parochiële eenheid kan het flink botsen. Het samenvoegen van koren of andere werkgroepen roept boosheid of onbegrip op. Ook diversiteit in liturgie, van traditioneel tot progressief, kan spanningen oproepen. En toch….de veelheid is geen concurrentie. Regels en wetten geven richting, hopend dat de leer van de kerk en het hedendaagse leven van alle gedoopten bij elkaar blijven aansluiten. Het synodaal proces geeft openingen aan deuren die nu op een kier staan, het zijn hoopvolle tekenen. Voor mij is dit gelovig optimisme een drijfveer geweest om zichtbaar te maken wat een pastoraal werkster kan betekenen, de vrouwelijke kracht die het pastoraat complementair maakt. Ik heb nooit overwogen om uit de RK kerk te stappen en aan te sluiten bij b.v. de remonstranten. Zolang ik lid ben van het instituut kerk heb ik een stem, die gehoord mag worden.

Alle levende stenen worden geïnspireerd door dezelfde H. Geest. Je kunt die Geest niet zien, we kunnen wel zijn werkzaamheid ervaren. De Geest is er voor iedereen die ervoor openstaat, iedereen heeft talenten en gaven gekregen, van jong tot oud. Sommigen zullen nu denken, wat heb ik nog te bieden, ik ben niet meer in staat om een actieve rol te spelen in deze geloofsgemeenschap. Ook kleine gebaren zoals een vriendelijke groet of hand geven, iemand vrede wensen, het doet er allemaal toe.

Wat een geluk dat velen zich geroepen weten om de ledematen van het ene lichaam van Christus te zijn. In de liturgie, catechese, diaconie en kerkopbouw zijn veel parochianen actief. En bij 8ste sacrament van koffie en thee na de viering is de ware ontmoeting met elkaar. De taken kunnen onderscheiden worden van elkaar, tegelijk zijn ze niet te scheiden en lopen ze in elkaar over. Ik ben voorzichtig, om niemand te vergeten, in het benoemen van alle facetten die hier onderdeel van zijn. Er is een familiekring bijgekomen, waarin ik gedragen word in de taken die aan mij worden toevertrouwd. De eenheid van onze geloofsgemeenschap, zonder voorwaarden, in de voetsporen van Jezus. Amen.

Slotgedachte: Onderstaand gedicht, gebed heb ik vaak voorgedragen bij de sluiting van een kloosterjubileum van mijn 3 tantes die ‘Zuster van Liefde’ waren.

Alice Nahon Avondliedeke III Uit: Op zachte vooizekens (1921)

’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik, in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd, dat eenzaam was …

Dan voel ik, op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen …
’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
En zó z’n ogen toe te doen.

Afbeelding11

Preek voor Sacramentsdag 2 juni 2024

Preek voor Sacramentsdag 2 juni 2024                                                                  Cenakelkerk

‘Met twee woorden spreken’. Als je dat intikt op Google, krijg je een aantal websites te zien waar verwezen wordt naar de vijftiger jaren van de vorige eeuw.  Toen werd  aan kinderen geleerd niet alleen maar ‘ja’ en ‘nee’ te zeggen, maar ‘ja mamma’ of ‘nee mijnheer’. ‘Met twee woorden spreken’ is dus een kwestie van beleefdheid. Maar die verwijzing naar de vijftiger jaren van de vorige eeuw maakt ook duidelijk dat er blijkbaar verschuivingen hebben plaats gevonden, dat die beleefdheid wat ouderwets is en dan wordt vaak verwezen naar verschuivingen van ‘u’ naar ‘jij’, naar het noemen van de voornamen van volwassenen door kinderen.

Op zich is dat niet vreemd. Beleefdheid is een kwestie van cultuur en die kan veranderen en die kan ook verschillen. Als je in een ander land komt, ontdek je dat, en soms ook als je in een ander milieu komt. Geef je wel of niet een hand? Een kus, twee kussen of toch drie? En we weten maar al te goed hoe dun die cultuur van beleefdheid kan zijn en hoe gemakkelijk verruwing optreedt. Op sociale media en in de politiek is beleefdheid vaak ver te zoeken. Van die protesten op de universiteiten is me één beeld bijgebleven: de rector magnificus die met die protesterende studenten wilde spreken en die met een megafoon werd overschreeuwd. Hoe het ook zij, ‘met twee woorden spreken’ is of was een kwestie van beleefdheid.

Zoals wel vaker speelt in de samenleving iets dat niet zó speelt in de kerk. Wanneer ik ‘met twee woorden spreken’ hier gebruik om iets te zeggen over het feest van vandaag, Sacramentsdag, dan is het geen kwestie van al dan niet ouderwetse beleefdheid. Dan gaat het eerder om een noodzaak, omdat je anders niet goed, niet adequaat kunt zeggen wat het sacrament van de eucharistie is of zelfs breder, omdat je anders niet goed sacramenten kunt begrijpen: die hoofdmomenten van ons gelovige leven en van ons kerkelijke leven.

Om dat toe te lichten moet ik even stil blijven staan bij een aspect van geloven. Een aspect van geloven is namelijk; dat onze werkelijkheid inclusief onszelf meer is dan wat we met onze zintuigen waarnemen. Er zit een gelaagdheid in onze werkelijkheid. Gelovig drukken we dat uit door te spreken over schepping. Niet voor niets beginnen we in onze geloofsbelijdenis straks met te belijden dat we geloven in God die hemel en aarde, alles dus, geschapen heeft. In onze gelovige visie op de werkelijkheid zit een fundamentele gelaagdheid. In onze gelovige visie op de werkelijkheid is de wereld en alles in de wereld niet plat en op zich, maar is die werkelijkheid een doorverwijzing, is die werkelijkheid transparant. De schepping verwijst naar de Schepper. In de traditie wordt dan ook gezegd dat we om ons heen sporen kunnen vinden van God en in het scheppingsverhaal worden wij mensen gekarakteriseerd als beeld van God, dus als een verwijzing naar God. En dáarom moet in het geloof met twee woorden gesproken worden: én aarde én hemel, én tijd én eeuwigheid, én mens én God. Als je niet met twee woorden spreekt, begrijp je niet dat die gelaagdheid, die transparantie bij ons geloof hoort en verdwijnt dus de spanning die bij ons geloof hoort. Geen kwestie van beleefdheid, maar een noodzaak.

Vanwege die gelaagdheid van ons geloof, vanwege die gelaagdheid en spanning spelen symbolen, sacramenten zo’n grote rol in ons geloofsleven, van begin tot eind, doop –  ziekenzalving, bij onze beslissing als gelovige te leven, vormsel, bij onze keuze voor onze levensstatus, huwelijk of wijding en bij de twee sacramenten die als het ware een echo zijn van twee beden in het Onze Vader, waarin twee aspecten van ons dagdagelijkse leven doorklinkt: geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze zonden, eucharistie en boete en verzoening.

De twee woorden die de sacramenten horen zijn: én zichtbaar én onzichtbaar, én aanwezig én verborgen. Zichtbaar en onzichtbaar. Augustinus zegt in een van zijn Pinkster-preken dat we het ene zien en het andere aanwezig weten. Je ziet het ene – zichtbaar –  en je gelooft het andere – onzichtbaar. Als je blijft staan bij het zichtbare, begrijp je niet goed wat je ziet. Zoals Thomas dat in de hymne voor het feest van Sacramentsdag, de adoro te devote, formuleert: het zien, het aanraken, het smaken schieten te kort, alleen het geloof brengt uitkomst.

Wat je gelooft heeft dan altijd met Jezus Christus te maken, met zijn aanwezigheid, met zijn verborgen aanwezigheid. Je ziet de priester water uitgieten over het hoofdje van een kind en je gelooft dat Jezus Christus doopt. Je ziet de priester bij de eucharistie voorgaan en je gelooft dat Jezus Christus de echte voorganger, de echte gastheer is. Je ziet brood en wijn op het altaar en je gelooft dat dat het lichaam en bloed van Jezus Christus zijn. Én aanwezig én verborgen.

Maar ik kan nog iets meer zeggen over sacramenten en over het sacrament van de eucharistie in het bijzonder, nog iets meer zeggen waarom ze zo nodig zijn. Daarvoor maak ik gebruik van de liturgie. Je bidt zoals je gelooft, je gelooft zoals je bidt, is en oud adagium in onze traditie. Ik maakt geen gebruik van de gebeden, liederen en lezingen voor dit feest van Sacramentsdag, maar van de gebeden die we altijd bidden voor we ter communie gaan.

In die gebeden kun je als een soort refrein opmerken dat we zeggen dat we fouten maken, dat we erkennen dat we gebreken hebben, gelovig uitgedrukt, dat we erkennen zondaars te zijn. Ik weet dat voor veel mensen dat noemen van zonden, die erkenning van zondaars te zijn, neerdrukkend werkt, dat ze daardoor angstig gemaakt worden, dat ze daardoor verlamd raken. Maar wanneer je goed kijkt naar het refrein dan kun je ook opmerken dat in de liturgie die erkenning van fouten en gebreken niet het eindpunt is, maar integendeel het beginpunt: het beginpunt van een proces, waarin God gevraagd wordt daar niet op te letten. “Let niet op onze zonden maar op het geloof van de kerk.” Wanneer je goed kijkt naar het refrein dan kun je ook opmerken dat die erkenning van fouten en gebreken niet verlammend hoeft te werken, want God wordt gevraagd te vergeven en te genezen. “Heer ik ben niet waardig dat gij tot mij komt maar spreek en ik zal gezond worden.” Het punt van onze fouten erkennen is niet dat we daardoor verlamd worden of angstig worden, maar dat we daardoor de moed krijgen om naar voren te komen. Dat is de goede, de gelovige manier om met onze fouten en gebreken om te gaan. Het vieren van de eucharistie is dan een soort oefening om beter te worden.

Beter worden, dat is een medische term die ik in deze context niet zomaar gebruik. ‘Gezond worden’ staat in dat gebed: “Heer ik ben niet waardig dat gij tot mij komt maar spreek en ik zal gezond worden.” Dat die medische term in dit gebed gebruikt wordt, heeft heel oude wortels. In de eerste eeuwen van de kerk spreken de kerkvaders over sacramenten als over medicijnen, die het kwaad, de ziekte bestrijden en het goede, de gezondheid bevorderen. Veel eeuwen later, doet een theoloog als Thomas dat nog steeds. Een hedendaagse theoloog uit een andere traditie,  Rowan Williams, de vroegere aartsbisschop van Canterbury, schrijft in een boekje over de sacramenten: “We gaan ter communie niet omdat we het goed doen, maar omdat we het slecht doen. Niet omdat we aangekomen zijn, maar omdat we onderweg zijn. Niet omdat we gelijk hebben, maar omdat we verward zijn en ongelijk hebben. Niet omdat we goddelijk zijn, maar omdat we menselijk zijn. Niet omdat we verzadigd zijn, maar omdat we honger hebben.” Trouwens, paus Franciscus maakt ook zo’n opmerking, wanneer hij, onder verwijzing naar de kerkvaders Ambrosius van Milaan en Cyrillus van Jerusalem schrijft: “De eucharistie is geen prijs voor volmaakten, maar een genereuze remedie en voedsel voor zwakken.”

Die mooie visie op de sacramenten als medicijnen is dus bewaard gebleven in een tekst die we telkens bidden als we ter communie gaan, misschien niet altijd even aandachtig, maar toch: die tekst is de opmaat naar de communie. Daarom zeg ik ook altijd dat wij allen genodigd zijn aan de maaltijd van de Heer. We hebben zijn voedsel nodig, om beter te worden.

DSCF5138

Preek voor het feest van de H. Drie-eenheid 2024 -H. Antonius Abtkerk Malden

Herwi Rikhof

 

Deut. 4,32-34.39-40 / Rom. 8,14-17 / Mt. 28,16-20

Elke dag een andere foto als screensaver op mijn pc. Dat is een mooie manier, heb ik gemerkt, om vakantietrips te herleven. De afgelopen weken staat telkens een foto op de pc die ik een paar weken geleden gemaakt heb tijdens mijn kathedralen-tour in Noord Frankrijk, Picardië en Normandië. Het zijn indrukwekkende kerkgebouwen, die gotische kathedralen, met die spitse stijgende bogen, prachtige ruimtes, ongelooflijke hoogtes en dan die warme kleuren van de gebrandschilderde ramen met verhalen uit de Schrift en de magnifieke roosvensters boven de ingangen. Ik ben altijd gefascineerd geweest door kerkgebouwen, misschien omdat ik opgegroeid ben in een mooie kerk die dateert uit de middeleeuwen. Ooit wilde ik architect worden, verzamelde ik foto’s van moderne kerken en toen ik op een zomerkamp in Overasselt deze toen pas gebouwde kerk bezocht was dat een ervaring die ik me nog steeds herinner. Zo’n nieuwe kerk.

Bij alle verschillen in stijl hebben katholieke kerken – en dat geldt ook voor de meeste andere christelijke kerken  – altijd twee elementen die je in andere religieuze gebouwen, zoals synagogen en moskeeën, niet ziet: het altaar en het doopvont. Je ziet in kerken ook een preekstoel, maar die zie je ook in een moskee of een synagoge: een plek waar die heilige Schrift wordt voorgelezen en uitgelegd. Maar een doopvont en een altaar: die zie je niet in een moskee of synagoge. Twee elementen waarin de twee sacramenten die wij christenen gemeenschappelijk hebben als het ware vertaald, verbeeld worden: de doop en de eucharistie/het avondmaal. Ik zal nu niet op dat laatste sacrament ingaan, dat is iets voor volgende week als we Sacramentsdag vieren, maar wel op dat eerste, de doop. Het feest dat wij vandaag vieren, heilige Drie-eenheid, is namelijk ook een feest waar de doop een centrale plaats inneemt. We hebben immers net het slot van het Mattheüs-evangelie gelezen waarin de verrezen Heer zijn apostelen opdraagt te dopen ‘in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’. De doop die ook in het synodale proces, waar wij als kerk wereldwijd in betrokken zijn, zo’n belangrijke rol speelt.

Laat ik maar bij het begin beginnen. Waarom zijn wij gedoopt? Waarom is dat in elke christelijke kerk de manier om lid te worden? Want dat is het geval: hoe verschillend christelijke kerken ook kunnen zijn – allerlei soorten protestanten, anglicanen, oosters orthodoxen, rooms katholieken – dat hebben we allemaal gemeenschappelijk: dat we lid worden van onze kerk door het doopsel. De gesprekken tussen de kerken loopt niet altijd gemakkelijk, weet ik uit eigen ervaring, als het gaat over structuren van de kerk en over sommige inhoudelijke punten, maar op het punt van de doop is er brede overeenkomst en wederzijdse erkenning, als tenminste er water stroomt en als tenminste de formule gebruikt wordt: ‘ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’.

Waarom zijn wij gedoopt, waarom is dat in elke christelijke kerk de manier om lid te worden? Omdat Jezus die opdracht aan zijn leerlingen gegeven heeft, zoals we net gehoord hebben?  Ja, maar dat is niet het hele antwoord. Er ligt nog iets onder en dat is de doop van Jezus zelf. Wij worden gedoopt omdat Jezus gedoopt is.

Wanneer Jezus gedoopt wordt, klinkt een stem uit de hemel die zegt: jij bent mijn Zoon en dan daalt de Geest op Jezus neer. Wat die stem zegt en wat de Geest doet, maakt duidelijk wie Jezus is. Hij is de Zoon en hij is de gezalfde Gods, de Messias, de Christus. Voor wie het Oude Testament kent, is duidelijk wat met Gezalfde Gods, met Messias bedoeld wordt: dat is iemand die van God de Geest heeft gekregen die richting geeft. In het Oude Testament krijgen koningen die Geest, omdat zij het volk moeten besturen en moeten zorgen voor een rechtvaardige samenleving. In het Oude Testament krijgen priesters die Geest omdat zij het volk moeten voorgaan in gebed en de liturgie, de weg naar God moeten wijzen. In het Oude Testament krijgen profeten de Geest, omdat zij het volk wakker moeten houden, moeten waarschuwen tegen zelfvoldaanheid en gezapigheid.

In de doop wordt duidelijk dat Jezus die Messias is, met de Geest Gezalfde Gods, die in éen persoon de taken van de koning, de priester en de profeet combineert. In het leven dat op de doop volgt, kunnen we dan zien hoe Jezus dat telkens concreet maakt: hoe hij koning, priester en profeet is, wat hij rechtvaardig vindt, en dat hij barmhartigheid nog belangrijker vindt dan rechtvaardigheid, hoe hij bidt en hoe hij zijn leerlingen leert te bidden, en hoe hij mensen wakker schudt zijn parabels waarin hij ons telkens op het verkeerde been zet.

Jezus is de met de Geest gezalfde Gods, de Messias, de Christus. Wij heten Christenen, wij heten dus naar hem, of preciezer naar die messiaanse functie van hem. Wij noemen onszelf Christenen, omdat wij net als hij in onze doop gezalfd zijn met de Geest die richting geeft in ons leven en omdat wij hem proberen na te volgen in ons koning priester en profeet zijn.

Maar in de doop wordt Jezus niet alleen gezalfd met de Geest: de stem uit de hemel zegt dat Jezus zijn beminde Zoon is. Als ik doop, lees ik meestal dat doopverhaal van Jezus dat ook op mijn doopstool is afgebeeld en besluit dan met het gebed dat God ook tot dit kindje zegt: jij bent een kind van mij. ‘Zoon’, ‘kind’, dat roept een sfeer van intimiteit en vertrouwelijkheid op. En het is ook niet voor niets dat als het kind gedoopt is, wij al eeuwenlang de gewoonte hebben het kindje het Onze Vader te geven, woorden die het mag gebruiken om met God te spreken. Dat moet zo’n kindje leren. Dat moeten wij leren. We moeten leren kind van God te zijn, we moeten keer op keer ontdekken wat dat in onze omstandigheden betekent: kind van God te zijn.

Paulus geeft in zijn brief aan de Romeinen een prachtige en diepzinnige uitleg van die zalving met de Geest en verbindt dat aan kind van God zijn. Wij hebben geen Geest van slaafsheid of vrees ontvangen. Als je slaafsheid merkt bij jezelf of bij anderen in de kerk, als je angst merkt bij jezelf of bij anderen in kwesties van geloof, dan weet je dat het niet om de heilige Geest gaat. Als je vertrouwelijkheid en intimiteit merkt in je omgang met God, als je net als Jezus kunt bidden ‘Abba Vader’, dan weet je dat je geleid wordt door de heilige Geest.

Wij Christenen geloven dat wij met God een vertrouwelijke omgang mogen hebben, omdat we in Christus kinderen van de Vader zijn en omdat we gezalfd met de Geest dat ook kunnen waarmaken in ons leven. We zijn gedoopt ‘in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’, wij zijn door de doop in de intieme, vertrouwelijke sfeer terecht gekomen van God Vader Zoon Geest. Het is een waardigheid die ook een verantwoordelijkheid inhoudt voor ieder van ons.

Het feest van God Vader en Zoon en heilige Geest is ook het feest van iedere christen, iedere gedoopte, van ons dus.

Cenakelkerk, Heilig Landstichting

Preek voor Pinksteren 18-19 mei 2024  Cenakelkerk

Herwi  Rikhof                                                                                                         Foto Arjan Bronkhorst

Hand. 2 1-11 , Joh 15,26-27; 16,12-15

Misschien is het een afwijking, niet echt gevaarlijk, maar soms wel een beetje kostbaar: dat ik altijd de volledige werken wil hebben. Alle verhalen van Tsjechov en alle romans van andere schrijvers en niet alleen een bundel met een selectie die iemand gemaakt heeft, alle symfonieën of kwartetten van een componist van ik houd, en zeker niet alleen maar het langzame deel van een symfonie of kwartet, ook een complete opera en niet alleen de grote meezing aria’s.

Meestal staat die afwijking me niet al te veel in de weg in de liturgie. Ik begrijp dat we niet een heel evangelie kunnen lezen binnen een viering of een hele brief van Paulus of een heel boek uit het Oude Testament, maar dat we hier alleen maar een klein gedeelte kunnen lezen. Maar ik vind het altijd vreemd als er in de kleine gedeelte geknipt en geplakt wordt. Soms doe ik, om praktische redenen, dat zelf ook wel eens, bijvoorbeeld bij een uitvaart, omdat niet alles past of een bepaald gedeelte wel erg moeilijk is vooral voor mensen die niet echt vertrouwd zijn met de Schrift. Maar liever niet. Problematisch vind ik het, wanneer er geen min of meer praktische reden te vinden is, – te lang of te moeilijk – , maar een of andere, voor mij niet duidelijke reden. Zoals vandaag in de eerste lezing die we gehoord hebben. Want wij hebben niet de versie gehoord zoals die in Handelingen van de Apostelen staat.

Wat we gehoord hebben is op het eerste gehoor natuurlijk wel duidelijk. Een verhaal over verbazing en verwondering. Verbazing over wat daar wat daar met die apostelen gebeurt: hoe die van bange, opgesloten mensen, mensen worden die naar buiten komen en zich durven uit te spreken. Dat was toen verbazingwekkend, dat is nu ook verbazingwekkend. Verwondering over dat die apostelen zich durven uit te spreken en wel in taal die iedereen kan verstaan. Dat was ongewoon, dat is ongewoon, goede communicatie gaat niet vanzelf en zelfs met behulp van allerlei pr-mensen lukt dat niet altijd. Zo eindigt het verhaal hier in de kerk, zo wordt het een verhaal over verbazing en verwondering, duidelijk, herkenbaar, misschien zelfs wenselijk.

Maar in de Handelingen van de Apostelen eindigt het Pinksterverhaal niet met verbazing en bewondering. Daar gaat het nog iets verder. In het verhaal zoals het is opgetekend is in de Schrift staat namelijk ook een andere, een tegenovergestelde reactie en daar eindigt het verhaal zelfs mee. Daardoor krijgt het een heel andere klank krijgt dan verbazing en verwondering: “Maar anderen zeiden spottend: ‘ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan’.” In de Schrift eindigt het verhaal dus negatief, of beter gezegd dubbelzinnig, ambivalent.

Het gebeuren van Pinksteren, de werkzaamheid van de Geest, roept dus twee tegengestelde reacties op, en daarmee past het verhaal precies in onze geschiedenis. Dat is uiterst belangrijk. Daarmee wordt de werkzaamheid van de Geest namelijk niet iets uitzonderlijks, niet iets vreemds, maar iets heel gewoons, iets dat past in onze geschiedenis, in onze ervaring van elke dag. Want alles wat we mee maken, roept meestal meerdere reacties op, en bijna altijd tegengestelde reacties. Kijk maar naar de politieke ontwikkelingen in ons land. Voor de een gaat door het nieuwe kabinet dat er gaat komen de zon weer schijnen in Nederland, voor de ander is het extreme duisternis, al mag die term ‘extreem’ blijkbaar niet gebruikt worden. En dat geldt niet alleen voor ons land. Dat geldt voor wat er in de VS gebeurt, in China, in Rusland, in Oekraïne, in het Heilig Land.

Precies omdat die dubbelzinnigheid rond de werkzaamheid van de Geest bij onze geschiedenis hoort, omdat die dubbelzinnigheid kenmerkend is voor alles wat ons overkomt en dus van alle tijden en overal is, past binnen ons geloof ook aandacht voor het probleem dat die dubbelzinnigheid oproept: dat je moet kiezen en dat je daarvoor moet kunnen onderscheiden. Is het enthousiasme van de apostelen echt of zijn ze dronken? En hoe bepaal je dat? Is het synodale proces waartoe de paus ons heeft opgeroepen werk van de heilige Geest of niet, zoals en hulpbisschop beweert. Waren onze besprekingen van het synode-document eerder dit jaar werk van de Heilige Geest of niet? Zijn de antwoorden die de bisschoppen de afgelopen week naar Rome hebben gestuurd werk van de heilige Geest of niet?

Daar is niet een eenvoudig antwoord op te geven. Een antwoord is te vinden in onze grote geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt dat de Geest voortkomt van de Vader en de Zoon. ‘En de Zoon’, Filioque: dat is later toegevoegd in het Westen aan de geloofsbelijdenis die op het Concilie van Constantinopel werd vastgelegd. Die toevoeging ging tegen de afspraken in en daarom is daarover nog steeds een controverse tussen de kerken in het Oosten, die die toevoeging niet kennen en niet erkennen en de kerken in het Westen. Maar die toevoeging was wel nodig, vanwege die vraag: is dit nu werk van de heilige Geest of niet? Die toevoeging en van de Zoon geeft namelijk een criterium. Een criterium dat ook wel inzichtelijk is: dat wat een christen doet of laat moet toch met de Geest van Jezus de Christus te maken hebben, anders ben je geen christen. Vandaag hebben we in het evangelie dan ook gehoord dat Jezus zijn leerlingen zijn Geest belooft als Helper

Een ander antwoord geeft de theoloog Thomas van Aquino. Van hem heb ik geleerd dat je het beste over de werkzaamheid van de Geest kunt nadenken als je over vriendschap spreekt. Dat betekent dat die werkzaamheid van de heilige Geest in een bepaalde sfeer hoort, die sfeer creëert en ook in stand houd. Die sfeer kun je aangeven door wat er niet toe behoort en wat er wel toe behoort. Behoort het tot vriendschap dat je berekenend in het leven staat, voortdurend denkt bij wat je doet: wat levert het mij op, voor wat hoort wat? Behoort het tot vriendschap dat je ruzie maakt, tegenstelling aanwakkert, polariseert? Behoort het tot vriendschap dat je mensen wantrouwt, verdacht maakt, de toeslagen affaire ?

Behoort het tot vriendschap dat je vraagt wat je vriendin of vriend graag wil? En dat zij of hij vraagt wat jij graag wilt, die wederkerigheid? Behoort het tot vriendschap dat het scherpe onderscheid tussen mijn en dijn op allerlei vlakken vervaagt? Behoort het tot vriendschap dat het gemeenschappelijke wij belangrijker is dan het particuliere ik?

Dat zijn retorische vragen. Op de eerste reeks  is het antwoord nee op de tweede reeks ja. En ook verwijzing naar Jezus is in zeker zin een duidelijk en vanzelfsprekend antwoord, maar daar zijn we er niet mee. Met die retorische en vanzelfsprekende antwoorden begint het pas. Moet je nooit denken wat het je oplevert?  Is duidelijk zeggen waar het op staat en zalen niet toedekken zo verstandig? Kun je iemand altijd op zijn of haar blauwe ogen vertrouwen? En, wil je wel echt of omwille van de lieve vrede, moet je niet iets privé houden? Maken al die foto’s en berichten op de sociale media het echt beter?

En die verwijzing naar Jezus roept ook vragen op: welke Jezus? Die van de veeleisende Bergrede, die met Jan en alle vrouw omgaat, de Jezus van de Hof van Olijven en Calvarië, of de rechter over levenden en doden?

We hebben net samen een van de mooiste gebeden van de kerk, het gebed om de heilige Geest gebeden: de sequentie van vandaag. Midden in dat gebed erkennen we dat zonder de geheime gloed van de Geest er niets in ons ons, sine tuo numine nihil est in homine, ‘geen goed in de mens is’ staat in de vertaling die we gebeden hebben. Het is die erkenning van de absolute noodzaak van de hulp van de Geest, die duidelijk maakt dat we moeten blijven zoeken en blijven vragen. Met die verwijzing naar Jezus en met die sfeer van vriendschap maken we eerste stappen, eerste belangrijke stappen, maar we moeten wel verder gaan, en blijven vragen om de Geest, die ons hart kan verlichten.

Kom heilige Geest, vader van armen, gever van gaven, licht van de harten.

Leerlingen op weg naar Hemelvaart

Preek voor de 7de zondag van Pasen 12 mei 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof

1 Joh. 4,11-16 Joh. 17,11b-19

Inleiding
Deze zevende zondag van Pasen is altijd een aparte zondag: de zondag tussen twee feesten, Hemelvaart en Pinksteren. Een wat lege zondag als ik dat zo mag zeggen: de verrezen Heer is er niet meer en de beloofde Helper is er nog niet. En op deze lege zondag horen we Jezus bidden. We horen namelijk op deze zevende zondag elk jaar een ander gedeelte uit wat wel het Hogepriesterlijke Gebed wordt genoemd. Op deze lege zondag vraagt de kerk ons stil te staan bij Jezus’ bidden, met Jezus te bidden.

Preek
‘Kinderen die vragen worden overgeslagen’. Toen ik gisteren even moest wachten, zag ik het tegenovergestelde. Een klein jongetje dat alle aandacht van zijn vader vroeg en het ook kreeg. Net als zijn zusjes mocht hij aanwijzen wat voor snoep hij wilde. En de vader trok dat uit de machine. ‘Kinderen die vragen worden overgeslagen’. Misschien dateert dat echt uit een voorbije tijd, is dat een uitdrukking geworden van een pedagogie die achter ons ligt. Hoe dan ook, het past niet in de goddelijke pedagogie, heeft nooit gepast in de geloofsopvoeding. Als in het evangelie  van Lucas de leerlingen Jezus zien bidden en hem vragen hen dat ook te leren, dan geeft Jezus hen het Onze Vader: allemaal vragen, vragen van kinderen aan de hemelse Vader. En hij voegt er dan aan toe dat wie vraagt zal krijgen en zelfs dat zij, dat wij niet te weinig, te bescheiden moeten vragen, zo lees ik tenminste zijn slotopmerking dat de hemelse Vader zelfs de heilige Geest zal geven aan wie er om vragen. (Lc 11,1-13)

Als we vandaag met Jezus bidden, met hem mee bidden, merken we dat hij ook vraagt, voor zichzelf, maar ook voor anderen, voor degenen voor wie hij zich verantwoordelijk voelt. Wat vraagt Jezus dan? Dat de Vader hen beschermt, dat de Vader hen bewaart, zoals hij, Jezus, dat in de afgelopen jaren gedaan heeft. Waarom is dat nodig? Om een antwoord te krijgen op die vraag moet ik even stil blijven staan bij een term die een paar keer in dat gebed valt: wereld.

‘Wereld’ is zo’n term die van alles kan oproepen: van de grootse beelden uit het heelal waar de wereld een van de planeten is, tot de uitdrukking dat iemand opgesloten zit in haar of zijn wereldje, van een wereldatlas met kaarten van alle werelddelen tot een speeltoneel waarin ieder een rol heeft en zijn deel krijgt. Wat betekent wereld in dit gebed?

Niet die planeet, niet de aardbol, zelfs niet de natuur waar wij vanwege de klimaat veranderingen aandacht voor hebben. Maar eerder de cultuur die wij mensen over de eeuwen hebben geschapen en waarin we leven. De wereld  waar Jezus over spreekt, is de cultuur die wij mensen tot stand hebben gebracht en niet zozeer de schepping Gods.

Maar dat is niet het enige. Wanneer Jezus over wereld praat, praat hij niet neutraal, maar klinkt een oordeel door. En wel een negatief oordeel. Dat is belangrijk. Want als wij cultuur gebruiken klinkt meestal een positief oordeel door, iets van bewondering voor de creativiteit van mensen, iets van een gevoel van schoonheid en dan is een negatief oordeel niet vanzelfsprekend, eerder iets van cultuurbarbaren die geen oog hebben voor kunst, geen oor voor muziek en alles willen wegbezuinigen.

Maar dat cultuur ook een negatieve klank kan krijgen en zelfs terecht heeft, werd mij duidelijk toen ik de vorige week door Noord-Frankrijk op kathedralen-tocht was. Kathedralen: die prachtige uitingen van menselijke creativiteit, de menselijke cultuur op zijn best, kun je wel zeggen. Maar op die tocht werd ik ook geconfronteerd met de sporen van de Eerste Wereldoorlog, niet alleen omdat sommige van die kathedralen toen gebombardeerd en gedeeltelijk vernietigd werden, maar ook wat ik onderweg zag: de grote of kleinere begraafplaatsen met allemaal dezelfde eenvoudige witte kruisjes, de borden naar verzetsmusea, de gedenktekens. Ik realiseerde me dat dat mooie glooiende landschap waar ik doorheen reed, slachtvelden en loopgraven waren geweest. Dat ik die tocht maakte in de week van 4 en 5 mei, versterkte dit alleen maar. En, met wat er nu in onze wereld gebeurt, werden die verschrikkingen uit het verleden niet alleen maar verschrikkingen uit het verleden.

De constatering dat wij de afgelopen jaren, om het zacht uit te drukken, wat naïef zijn geweest over dat negatieve van de cultuur, over die voortdurende aanwezigheid van bedreigingen en verschrikkingen, van het kwaad in onze wereld, wordt nu breed gedeeld. De neiging om dat negatieve begrip van wereld weg te doen als een zwartgallige, pessimistische kijk op de werkelijkheid, – een neiging die ik niet alleen bij mijzelf constateerde – , wordt door wat we nu meemaken in onze samenleving tamelijk hardhandig gecorrigeerd. Dat Jezus ons als laatste bede in het Onze Vader op het kwaad wijst, krijgt een misschien wel onthutsende realiteitswaarde.

Wat vraagt Jezus in zijn gebed dat wij vandaag hebben gehoor? Bescherming voor zijn leerlingen toen en voor zijn leerlingen nu. ‘Bewaar in uw Naam hen die gij mij gegeven hebt’. Maar wat voor bescherming? Jezus zegt nadrukkelijk dat hij niet de Vader vraagt zijn leerlingen, ons, te isoleren, totaal af te schermen. ‘Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt’. Jezus bidt dus niet onrealistisch, maar juist heel realistisch. De leerlingen, wij, kunnen niet anders dan in de wereld zijn. Te denken dat je hoe dan ook die wereld kunt buiten sluiten, is jezelf voor de gek houden. We kunnen niet anders dan in de wereld zijn: dat is wat menselijk leven inhoudt.

Maar wat vraagt Jezus dan wel? Zoals wel vaker in ons geloof gaat het om kleine woordjes. Vandaag om ‘in’ enerzijds en om ‘van’ anderzijds. Wel ‘in’ de wereld, maar niet ‘van’ de wereld. Die tegenstelling geeft in alle kortheid de spanning aan die hoort bij het leven van elke christen. Dat is volgens mij de bescherming waar Jezus om bidt: dat de Vader zijn leerlingen, ons, in die spanning houdt, ons niet weghaalt uit onze realiteit maar ons er ook niet laat opgaan, ons beschermt voor het kwaad daarin. ‘Ik bidt niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad.’

Wat dat kwaad concreet is, is soms duidelijk, maar niet altijd, vaak niet. Daarom is die bede ook belangrijk, is dat gebed van Jezus voor ons essentieel. Dat bewaren, dat verlossen heeft dan niet zozeer te maken met dat kwaad verwijderen – dat zou een veel te gemakkelijk gebed zijn -, maar dat bewaren, dat verlossen heeft eerder te maken met het bewust worden van wat in onze situatie kwaad is en dat niet toe te dekken, maar luid en duidelijk te benoemen, zodat we in de wereld niet van de wereld worden en wij elkaar zo helpen in onze omstandigheden christen te zijn en te blijven.

DSC_3444

Preek voor de Hemelvaart des Heren 9 mei 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof

 

Een feest midden in de week: dat past bij Hemelvaart. Het past bij Hemelvaart omdat het tussen Pasen en Pinksteren in staat, omdat het van beide wat heeft. Vandaag sluiten we in zekere zin de paastijd af: veertig dagen na Pasen: een omgekeerde vasten. Morgen begint de noveen voor Pinksteren, de voorbereiding op dat feest. Hemelvaart staat ertussenin. Hemelvaart is een mengeling van afscheid nemen en opnieuw beginnen.

Eigenlijk een heel gewoon en heel alledaags gegeven: weggaan en ergens naar toen gaan, afscheid nemen en opnieuw beginnen. Helemaal niet zo dramatisch. ’s Morgens stap je uit je bed en kleed je je aan. Je gaat van huis naar school of werk, je gaat boodschappen doen of je gaat sporten, je gaat op bezoek, je gaat van de ene klusje naar de andere. ’s Middags of ’s avonds kom je weer thuis, parkeert de auto, zet de fiets in het schuurtje. Ondertussen zet je je mobiel aan en uit, aan en uit, aan en uit. Dat dagdagelijkse proces van ergens mee stoppen en ergens mee beginnen is zo gewoon dat je het nauwelijks merkt, dat weggaan en opnieuw beginnen. Je merkt het wel wanneer je naar een andere school gaat, een andere baan krijgt, wanneer je ophoudt met werken, of wanneer je verhuist. En je merkt het helemaal wanneer je iets definitiefs meemaakt, wanneer je afscheid moet nemen van iemand van wie je houdt en alleen verder moet. Je merkt het helemaal wanneer je definitief afscheid moet nemen en je er niet op voorbereid bent. Afscheid nemen, afscheid nemen van het verleden, opnieuw beginnen, de toekomst beginnen: het leven zit er vol van.

Hemelvaart is het feest waarin we dat gebeuren van ons leven, dat proces, die voortgang van ons leven weerspiegeld zien en waarin dat gewone, dat alledaagse proces misschien ook een ongekende diepte kan krijgen.

In de eerste lezing vragen de leerlingen Jezus: gaat u in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen? U. Zoals vaker zegt Jezus niet ja of nee, maar geeft hij een reactie waarin duidelijk wordt dat de vraag niet goed gesteld is,. Hij  geeft een antwoord dat ontwijkt én dat dieper gaat. Jezus draait het om: niet ik, maar jullie. Niet het koninkrijk voor Israël, niet een ideaal van macht in een oud patroon, maar getuigen van de gestorven en verrezen Messias en de grenzen over tot aan het einde der aarde.

In onze kerk is dat laatste gesprek afgebeeld op de achterwand. En in de tweede lezing hebben we het slot van het evangelie van Marcus gehoord en een gedeelte daarvan is op hier de voorwand geschilderd. Zoals met alle schilderingen en teksten in onze kerk zijn het en schilderingen en teksten van toen van de leerlingen van toen, én schilderingen en teksten voor nu, voor de leerlingen van nu, voor ons.

Die leerlingen moeten afscheid nemen van hun oude verwachtingen en beginnen aan een ongekend avontuur. Voor dat proces zullen ze de kracht van de H. Geest ontvangen, zullen ze gedoopt worden met de H. Geest. Leerling zijn is blijkbaar voortdurend afscheid nemen en telkens opnieuw beginnen. En die twee kanten zitten in de wijze waarop wij gedoopt zijn en wij dopen. Wij dopen met water en zalven met Geest. Niet alleen water, niet alleen Geest, maar water én Geest. Waarom?

Afwassen, schoonwassen, zeker aan het begin van ons leven bij de doop, maar ook op Pasen bij de hernieuwing van de doopbeloften toen we weer besprenkeld werden met doopwater. Afwassen, schoonwassen is nodig omdat we nu eenmaal niet met een schone lei beginnen, nooit met een schone lei beginnen, omdat we niet in een maatschappij, niet in een omgeving, niet in een familie, niet in een parochie terecht komen waar alles in orde is, maar waar ook altijd zaken scheef gegroeid zijn, waar ook altijd oneerlijke verhoudingen zijn, waar ook ruzie is of is geweest, waar mensen en dingen al beschadigd zijn, waar mensen en dingen al smerig zijn. En we merken dat dat negatieve niet alleen opgaat voor het begin van het leven, maar voortdurend aanwezig is.  Het is dan ook niet voor niets dat we onze hernieuwing van de doopbeloften begonnen zijn met iets af te wijzen.

In een van de eerste teksten over de doop wordt dat heel aanschouwelijk gemaakt. Cyrillus van Jerusalem legt in de week na Pasen aan de pas gedoopten uit wat ze in de paasnacht hebben meegemaakt. Dat ze begonnen zijn in de richting van het westen, de richting van de nacht en zich omgekeerd hebben maar het oosten de richting van de opkomende zon en dat ze door dat omkeren zij zich van het kwaad, van de duivel hebben afgekeerd en dat ook gezegd hebben. Wij hebben dat in onze Paaswake ook gedaan. Niet ons omgedraaid, maar wel gezegd waar we tegen zijn, wat we afzweren.

Dopen met water: dat is dus een teken van het gevoel voor de werkelijkheid, van het aanvoelen van onze besmeurde werkelijkheid. Dopen met water, dat is zoiets als in de auto de beslagen ruit schoon vegen, de ruitenwissers aanzetten zodat je weer kunt zien en verder kunt gaan.

Maar daarmee is het nog niet af, daarmee is alleen ruimte gemaakt, weggedaan, vrijgemaakt. Die ruimte moet ook ingevuld worden, anders ingevuld worden, beter ingevuld worden, de weg die openligt, moet ook gekozen worden, de weg die zichtbaar geworden is, moet ook gegaan worden. En daarom moet ook gedoopt worden met de Geest, met zalf, met olie. Natuurlijk is die olie nodig om ons soepel te laten lopen, om er voor te zorgen dat de dingen die we gekregen hebben, ons lichaam, onze talenten, onze omstandigheden, dat we die niet forceren, dat we die niet laten verroesten. Natuurlijk is die zalf nodig, dat die in de poriën doordringt, zodat het nieuwe niet aan de buiten kant blijft, maar opgenomen wordt. Maar die olie staat voor meer.

In het Oude Testament worden de leiders van het volk van God gezalfd, de koningen, de priesters , de profeten, worden ze met olie gezalfd als teken van de opdracht die ze krijgen om in de Geest van God te handelen. Deze week was het een jaar geleden dat Charles tot koning van het Verenig Koninkrijk werd gekroond, maar hij werd eerst gezalfd achter een scherm. En in onze kerk is het ook een gewoonte om bij de priesterwijding en de bisschopswijding te zalven. Maar het aparte en ook wel uitdagende is dat in onze kerk iedere gedoopte gezalfd wordt. Daarmee wordt aangegeven dat iedere gedoopte op haar of zijn manier, voor zichzelf en voor anderen, die functie van koning, priester en profeet heeft. Dat iedere gedoopte een verantwoordelijkheid heeft op het gebied van leiding geven, dat wil zeggen richting geven, je eigen leven zelf inrichten, goede keuzes maken. Dat iedere gedoopte een verantwoordelijkheid heeft op het gebied van de eredienst, van het gebed, van het cultiveren van de omgang met God. Dat iedere gedoopte een verantwoordelijkheid heeft op het gebied van het verkondigen, het uitleggen, het meedelen en doorgeven.

Die verantwoordelijkheid is vaak niet gemakkelijk. Precies daarom hebben hulp nodig, hebben we de Helper bij uitstek, de heilige Geest nodig. Het is meer dan mooi dat als we hier samen komen om ons te bezinnen op die drievoudige verantwoordelijkheid van ieder van ons we dan doen onder de koepel waarin die Helper zo prominent aanwezig is.

20200719_122800

Overweging 6e Zondag van Pasen 4-5 mei 2024 Cenakelkerk

Margaret de Groot-Vlasveld

Eerste Lezing 1 Johannes 4, 7-10; Evangelie Johannes 15, 9-17

 

Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.

Deze regels, het slot van het gedicht Vrede van Leo Vroman (1915-2014) zullen u bekend voorkomen. In deze dagen lezen, horen en praten wij over oorlogen, van lang geleden en in de huidige tijd, ver weg en dichtbij. Daarbij worden aantallen genoemd van de slachtoffers. Honderden, duizenden, miljoenen. Nu er vandaag in de lezingen over liefhebben geschreven wordt, wil ik vandaag de cijfers tot mensen maken, met wie wij in liefde verbonden waren en zijn.

U heeft allen een persoonlijk verhaal uit de oorlogstijd, b.v. over een overleden broer of zus, een ouder die in de hongerwinter overleden is. Ingrijpend en voor altijd draagt u deze herinnering met u mee. Ik deel graag met u de volgende verhalen.

Deze week liep ik over de Canadese begraafplaats in Groesbeek. Huiveringwekkend om langs de lange rijen met oorlogsgraven van ruim 2500 gesneuvelde jonge mannen te lopen. En hoe onnatuurlijk. In vredestijd begraven de zonen hun vaders, in oorlogstijd de vaders hun zonen. Bij de ingang van deze begraafplaats staat een monument, met een namenwand. Daarop staan de namen van ruim 1000 vermiste militairen. Zij laten allen nabestaanden achter, ieder met een diep verdriet.

September 1944, rondom de operatie Market Garden, was een tijd van hoop op bevrijding, maar ook dagen waarop de vijand groot leed heeft aangericht. In Nijmegen, met name aan de Batavierenweg en omgeving, staken de Duitsers een aantal huizen in brand om zo een vrij schootsveld te creëren. Bewoners werden met geweld verdreven of zij vluchtten. Enkele hebben zich verscholen in hun huizen. In een van die huizen woonde een oom van mij, een broer van mijn vader. Hij was missionaris van Mill Hill en rector van het Missiehuis ‘St-Joseph Huis’ en hoopte met twee medebroeder veilig te zijn in de kelders van het huis, aan de Batavierenweg 38-40. Het huis is tot aan de grond toe afgebrand. 1,5 jaar later werd het stoffelijk overschot van een van de drie Mill Hillers gevonden. Over het lot van mijn oom is niets bekend. Zou hij tijdig gevlucht zijn, is hij voor de brand meegenomen en meegevoerd naar Duitsland? U begrijpt hoeveel impact zijn vermissing in de familie Vlasveld heeft gehad. Voor mijn oma, mijn vader, zijn broers en zussen was het een intens verdriet, een wond die maar moeilijk kon helen. Zoektochten, via paragnosten, gaven hoop en verwarring. Samen met mijn neven en nichten zijn wij over onze oom Bernard, die door zijn afwezigheid zo aanwezig was, naar openingen blijven speuren. Ook bij de Fathers van Mill Hill was de dood van drie medebroeders pijnlijk. Op hun begraafplaats in Oosterbeek waar alle Paters van Mill Hill begraven zijn, ontbrak een gedenksteen van de drie vermisten. Afgelopen jaar, op Allerzielen, is er een gedenksteen met hun namen geplaatst. Hij is thuisgekomen.

Kom vandaag met verhalen dat de oorlog niet is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.
– Vrij naar Leo Vroman –

Ook in deze onrustige tijd van oorlogen blijven de verhalen komen. Over vluchtelingen die geen uitweg zien in hun land dat geteisterd wordt door oorlog, genocide, onderdrukking. Vorige week was er in de Vereeniging een indrukwekkende voorstelling, getiteld Aleppo.  Samen met kamerkoor Capella Amsterdam musiceerden Syrische vluchtelingen in een aangrijpend koorwerk. Een van de teksten van de verteller: ‘Ik ben Wasim Arslan en mijn familie woont al 800 jaar in Aleppo. Ik ben er geboren’. ….
‘Aleppo is een stad van geuren, voor mij is het de geur van zeep, gemaakt van laurier en olijfolie. Als mijn vader klaar was met douchen, vulde het huis zich met die geur. Ik liep dan naar hem toe en kuste zijn handen. Een teken van liefde dat wij altijd deden. Daarna kuste hij mijn hoofd en gaf mij zijn zegen’….
‘In 2015 sloeg de oorlog toe, uit het niets. Het schudde de grond onder ons. Ik verloor dierbare vrienden en kwam zelf oog in oog te staan met de dood. Ik moest vetrekken, onmiddellijk. Zonder persoonlijke bezittingen mee te nemen, zonder zelfs gedag te zeggen, verliet ik, na 24 jaar, mijn thuis. Ik werd een vluchteling. Een reis door Egypte en Turkije. Ik overleefde. Nadat ik alles verloren had, begon ik mezelf de vraag te stellen: Waarom leef ik? Waarom ben ik hier? Ik nam de boot des doods. Na de zee en landsgrenzen overgestoken te hebben, wachtten wij met een groep mensen op de smokkelaars om de reis voort te zetten. Het was midden in de nacht, we zaten in volledige duisternis op een verlaten treinspoor. De mensen trilden van angst, we wisten niet wie of wat ons te wachten stond. Ik begon voor hen te zingen, en dat kalmeerde’….

‘Mensen zeggen dat Aleppo verdwenen is. Een genereuze stad in puin. Maar ik zeg dat het leeft. In ons hart, in onze herinneringen en in onze stemmen.
Ik ruik de geur van laurier en olijfolie en voel de zegen van mijn vader. Ik kom thuis in zijn liefde.’

 

Slotgedachte 4 mei:

Waar ik aan denk. Marieke Lucas Rijneveld

Het is niet moeilijk om stil te zijn
toch wist ik al vroeg: rouw past nooit
In twee minuten, Het is eerder de
opwarmingstijd van een magnetrongerecht,
een eenpersoons-stamppot die een beetje
naar plastic en een beetje naar verdriet smaakt.

Ik weet heel goed dat in die geluidloosheid nooit
ieder mens herdacht, elk bombardement,
of alle schrik zit van wie-mij-ontdekt, het lek
en de hongervraag. Ook vermoed ik dat
hoop te groot is, want ik hoop wat af.

Soms word ik zelf een duif, zo eentje die
harmonie brengt. Anderen zeggen dat ik
het niet kan begrijpen, dat je om echt stil
te kunnen zijn de oorlog meegemaakt
moet hebben. Dus houd ik mijn mond
en probeer aan vrede te denken.

Vrede past precies in twee minuten.

 

Slotgedachte 5 mei:

Gebed om vrede van Franciscus van Assisi (1181-1226) 

Heer, maak mij een instrument van Uw vrede.
Laat mij liefde brengen waar haat heerst,
laat mij vergeven wie mij beledigde,
laat mij verzoenen wie in onmin leven,
laat mij geloof brengen aan wie twijfelt,
laat mij waarheid brengen aan wie dwaalt,
laat mij hoop brengen aan wie wanhoopt,
laat mij licht brengen aan wie in duisternis is,
laat mij vreugde brengen aan wie bedroefd zijn.

Laat mij niet zoeken getroost te worden, maar te troosten,
niet begrepen te worden, maar te begrijpen,
niet bemind te worden, maar te beminnen.
Want het is toch door te geven, dat men ontvangt
door te verliezen, dat men vindt
door te vergeven, dat men vergiffenis ervaart
door te sterven, dat men verrijst tot het eeuwige leven. Amen.

 

 

Contact

Centraal Parochiesecretariaat:

Groenestraat 229

6531 HH Nijmegen

tel: 024 – 355 3630

e-mail:
parochiecentrum@h3eenheid.nl

Bereikbaar op werkdagen tussen 09.00-12.30 uur.