Preek voor de eerste zondag van de Veertigdagentijd Cenakelkerk

Herwi Rikhof

Gen. 9,8-15 Mc. 1,12-15

Zal vanmiddag een bezoeker van onze kerk als onderdeel van het Grootste Museum van Nederland een vraag stellen over de regenbogen in onze kerk? Misschien, het is eerder gebeurt. De meeste mensen letten niet op allerlei details, zeker niet als ze de eerste keer komen. Piet Gerrits heeft de verbinding tussen vlakken waar de architect Jan Stuyt een serie bogen heeft geplaatst die van boven naar beneden toelopen met de kleuren van de regenboog geschilderd. Wanneer die vraag wordt gesteld, zo vertelde een gids mij, dan vanuit het huidig gebruik van het symbool van de regenboog tegen allerlei vormen van seksuele discriminatie. Of dat de reden is waarom Piet Gerrits jaren geleden in onze kerk de kleuren van de regenboog geschilderd heeft, betwijfel ik. Maar dat hij helemaal zonder reden die bogen in verschillende kleuren geschilderd heeft, vind ik ook vreemd. Ik heb in de studies die ik over onze kerk heb, geen uitleg kunnen vinden. Dus probeer ik maar en ga er vanuit dat het ook om de kleuren van de regenboog gaat.

 

De regenboog zien we niet zo vaak in de natuur en dat natuurverschijnsel heeft ook iets vluchtigs, als je een regenboog ziet en die wilt fotograferen moet je er snel bij, weet ik uit eigen ervaring. God kiest dat vluchtige natuurverschijnsel als teken voor zijn verbond met Noach, als herinneringsteken aan zijn verbond met alle levende wezens. Waarom?

Misschien om ons helemaal in het nu te laten zijn. Precies omdat de regenboog zo vluchtig is, kun je niet zeggen, wacht maar even, ik kom zo, ik kijk straks wel. Precies omdat de regenboog zo vluchtig is, moet je nu de gelegenheid grijpen om die schakering van kleuren te bewonderen, moet je nu de kans pakken die verbinding tussen hemel en aarde met eigen ogen te zien.

Als je het zo bekijkt maken die kleuren op die verbindingen het belang van dat nu duidelijk of misschien beter om de aard van dat nu duidelijk te maken. Augustinus maakt een al te herkenbare opmerking over de tijd: ‘wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het me vraagt, weet ik het niet’ (Conf. XI, xiv,17). Er zit iets ongrijpbaars aan de tijd en dat ligt vooral in het nu. Wat is het nu? Is het echt te meten, dat voortdurende verspringende snijpunt van verleden en toekomst? Is het nu dit uur, deze minuut, deze seconde, dit honderdste van een seconde, zoals dat bijvoorbeeld bij wedstrijden, atletiek, schaatsen te zien is ? Ja, als je kijkt op een klok, op een stopwatch, ja als je denkt dat die klokkentijd de tijd is. Nee, als je de tijd leeft en de tijd beleeft. Dan is het nu eerder een intensiteit van ervaring, een samenballing van gevoelens. Goed, je kunt je periodes herinneren van verdriet of geluk, van onvrede of tevredenheid, maar je herinnert dan wel dat heden van toen, dat nu van toen.

Het is niet zo vreemd om die vluchtige regenboog van het nu in een kerk te schilderen, in onze kerk. Liturgie is altijd nu, is een vorm van die klokkentijd stil te zetten, om die andere tijd, die samenballing van ervaringen en  gevoelens de kans te geven, om God een kans te geven, om het verbond van God met ons een kans te geven. In de liturgie worden we geconfronteerd met het verleden, we lezen teksten uit het verleden, we vieren de maaltijd des Heren als een herinnering aan het laatste avondmaal, maar we lezen die teksten uit het verleden altijd als teksten voor ons, over ons en we vieren die maaltijd om Hem nu te ontmoeten en te ontvangen. We lezen ook teksten over de toekomst, we vieren de maaltijd des Heren ook als een vooruitlopen op de hemelse, eeuwige liturgie – totdat hij komt – , maar die toekomst is wel de drijfveer voor ons doen en laten nu.

Het verbond van God dat sluit met alle levende wezens, het verbond waarover we in alle toonaarden zingen in de psalmen,  het verbond dat we in alle lezingen van deze veertigdagen tijd tegen komen, het nieuwe verbond dat we hier vieren keer op keer vieren wanneer we de maaltijd van de Heer vieren, dat verbond is altijd nu. Hier en nu om helemaal precies te zijn.

 

En daarmee komt een tweede aspect van de regenboog in zicht: de veelkleurigheid. Of de schrijver van het verhaal van Noach precies geweten heeft hoe dat natuurverschijnsel ontstaat, dat breken van licht in al die verschillende kleuren, dat betwijfel ik. En of die veelkleurigheid in de band tussen hemel en aarde voor hem belangrijk is geweest, weten we niet. Maar als ik een regenboog zie, als ik die schilderingen hier in de kerk zie, zie ik die veelheid van kleuren wel en ook al weet ik niet precies hoe die breking van het ene witte licht in al die verschillende kleuren plaats vind, ik weet wel dat het gebeurt. En juist als teken van het verbond krijgen die breking en die veelkleurigheid dan ook een diepe betekenis. God sluit een verbond met alles en iedereen, biedt dat verbond aan ieder van ons aan. Wij mensen zijn anders dan andere levende wezens en ieder van ons mensen is weer anders dan de buurvrouw of buurman, anders dan broer of zus, anders dan vader of moeder. Dat geldt niet alleen in de maatschappij, maar ook in de kerk. Dat heeft het rapport van de synode afgelopen oktober in het kader van het synodale proces heel duidelijk gemaakt. In onze bespreking van dat rapport hebben daar ook aandacht aan besteed en hebben dat die erkenning van die verscheidenheid en die veelkleurigheid ook beaamd. Goed dat het zo uitdrukkelijk genoemd wordt. En het diepe van het verbod van Noach is God zich aanpast zich aan aan die verscheidenheid en veelkleurigheid van ons, zodat ieder van ons zijn aanbod kunnen aannemen. Wij kunnen onze kleur kiezen en zo zijn verbond met ons beleven. Hier en nu, nu en hier.

 

Er is nog iets: die regenboog verschijnt aan het eind van het verhaal van de zondvloed. Is dat misschien van belang voor een antwoord op vraag waarom die regenbogen hier geschilderd zijn. Op het eerste gezicht is het verhaal van de zondvloed een heel menselijk verhaal, precies in wat over God gezegd wordt. Het verhaal begint met God die spijt krijgt dat hij geschapen heeft en die verdrietig is om wat hij geschapen heeft (6,6). “Ik ga de mens, die ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee, de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt mij dat ik ze gemaakt heb.”(6,7) Het verhaal krijgt een draai ten goede, omdat God na 150 dagen van wassend water het weer laat zakken, omdat hij aan Noach in de ark denkt en aan al die dieren (8,1). Het eindigt met God die de aangename geur van het offer dat Noach brengt opsnuift en dan bij zichzelf zegt: ‘ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mensen’ (8,21). Menselijk, al te menselijk, zoals God wordt voorgesteld.

 

Je kunt die manier van over God spreken wat naïef en kinderlijk vinden, een manier die past bij een vroeg stadium van godsdienstigheid, een manier die niet meer past bij onze veel rijpere, veel meer doordachte manier. Maar dan doe je denk ik geen recht aan het verhaal. Het is immers een vreemd, zelfs een onzinnig verhaal. Afgezien van de onmogelijkheid al die dieren in de ark te krijgen en te houden, is het toch ook vreemd dat het eerste dat Noach doet na al die moeite om die dieren te redden is een aantal van die dieren te slachten en offeren. Daar gaat het hele plan om alle dieren te redden.

 

Die interne spanningen in het verhaal zijn aanwijzingen dat verhaal van de zondvloed is niet op de eerste plaats een verhaal over Noach en zijn ark, maar is een verhaal over God waarin ons beeld van God, ons menselijke al te menselijke beeld van God, wordt gecorrigeerd, Het wordt, om zo te zeggen, van binnen uit gecorrigeerd, uitgehold zelfs. Het verhaal begint, zoals ik al zei met God die spijt krijgt omdat hij de slechtheid van de mensen ziet en vervolgens besluit er een radicaal eind aan te maken. Je verwacht dan dat aan het eind de spijt en de oorzaak van de spijt verdwenen zijn. De spijt wel, de oorzaak niet. Als God dat offer ruikt van Noach zegt hij niet alleen: ‘ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mensen’, maar voegt daar aan toe: ‘het hart van de mens is immers van jongs af geneigd tot het kwade’ (8,21). God besluit niet, zoals we zouden verwachten, opnieuw te scheppen, maar dan anders, dan beter, of zo God besluit wel: niet meer te reageren zoals wij, en zoals wij zouden verwachten en ook graag zouden willen. God besluit niet meer zijn handelen te laten bepalen door wat wij mensen doen en laten. God besluit niet meer te reageren. Het hele verhaal van de zondvloed is een verhaal dat bedoeld is om het verrassende eind duidelijk te maken. Dat God zijn verbond blijft aanbieden totdat het uiteindelijk nieuw, eeuwigdurend in ons hart zal zijn.

 

Die kleuren op de bogen op de vier punten in onze kerk kunnen louter versiering zijn, maar ze kunnen ons ons ook doen denken aan dat altijd verrassende van onze God.

Meer nieuws

Inventaris voormalige H. Hartkerk te koop

Parochianen van de voormalige O.L.V. van het Heilig Hartkerk in […]

Agenda Paastijd in de Cenakelkerk

Zaterdag 20 april – 17.00 uur: Eucharistieviering Taborkapel Zondag 21 […]

Preek voor de 3de zondag van Pasen – 14 april 2024  Cenakelkerk

Herwi Rikhof   Hand. 3,13-15.17-19 / Lc. 24,35-48 Inleiding In […]

Jokolo was in Malden

Op Goede Vrijdag om 20.30 uur zong Jokolo de gezongen […]

Preek voor de 2de zondag van Pasen 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof   Hand. 4,32-35 / Joh. 20,19-31 Aan het […]