Preek voor de 4de zondag van Pasen 21 april 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof

 

1 Joh. 3,1-2 /Joh. 10,11-18

Hoe ken je iemand echt? Door wat zij of hij zegt of door wat of hij of zij doet? Die vraag komt gemakkelijk en haast vanzelfsprekend op wanneer je ook maar zijdelings de formatie van het nieuwe kabinet volgt. Het verschil tussen zeggen en doen is soms heel duidelijk. Nee, ik noem geen namen. Maar het is natuurlijk niet vraag die alleen maar bij politici opkomt. Het komt wel vaker voor dat je verbaasd ben over iemand, iemand die je dacht goed te kennen, dat je moet zeggen: dat had ik niet verwacht. En is de echte anders dan wat hij of zij zegt, of wat zij of hij doet?

Die vraag kwam ook op toen we in de afgelopen week in een groep bezig waren met de eerste hoofdstukken van het boek van Tomas Halik De namiddag van het Christendom, een boek over de situatie van de kerk nu. Die eerste hoofdstukken gaan over geloof. Hij maakt gebruik van een oud onderscheid tussen ‘wat we geloven’ en ‘hoe we geloven’, over geloof als inhoud, en geloof als houding. Hij maakt gebruik van dat onderscheid omdat hij aandacht wil vragen voor geloof als houding, meer nog omdat hij wil argumenteren dat geloof als houding belangrijker is dan geloof als inhoud.

Die aandacht en stellingname van Halik heeft enerzijds te maken met een verzet tegen de opvatting dat geloof primair ziet als het aannemen van allerlei geloofswaarheden, hoe vreemd die ook mogen klinken. Een opvatting van geloof die in een bepaalde vormen van theologie en van catechese, van geloofsonderricht in het verleden en ook wel in het heden naar voren komt. Een opvatting van geloof die Halik dus niet deelt.  Maar die aandacht en stellingname van Halik heeft anderzijds ook te maken met een visie op de mens, op de verhouding van zeggen en doen. Gedrag is de toegang tot wat mensen vinden en geloven, niet wat ze zeggen. Ze kunnen zoveel zeggen.

Als ik het zo formuleer, formuleer ik te zwart-wit. Mensen kunnen toneel spelen, net doen alsof, en mensen kunnen ook echt zeggen wat ze vinden en waar ze voor staan. Maar Halik vraagt terecht aandacht voor het gedrag van de gelovige en voor het verband tussen wat een gelovige zegt en belijdt en wat een gelovige doet. Hij wijst op iets wat wel vaker tegen gelovigen gezegd is of gezegd wordt, dat ze op maandag, dinsdag enz. niet doen wat ze op zondag belijden. Hij wijst dus op het verband tussen de zondag in de kerk en de maandag, dinsdag enz. in de maatschappij en zegt dus dat op maandag, dinsdag enz. blijkt wat je op zondag gelooft. ‘Alleen de praktijk van het geloof … laat ons zien in wat voor soort God iemand gelooft en in welke hij niet gelooft.’(19)

Wanneer wij met vormelingen – en soms ook met hun ouders – over de geloofsbelijdenis spreken, wijzen we er altijd op dat we onze geloofsbelijdenis beginnen met ‘ik geloof in’, niet met ‘ik geloof dat’. In onze geloofsbelijdenis komt dat ‘dat’, dat wil zeggen wat we geloven wel aan de orde, maar in het kader van ‘geloven in’, als een nadere bepaling van die geloofshouding, die Halik zo belangrijk vindt, als een uitleg in wie we geloven.

‘Geloven in’ heeft met vertrouwen te maken. Iemand geloven heeft al met vertrouwen te maken, maar in iemand geloven gaat nog dieper. Als je iemand gelooft, dan geef je aan dat die persoon betrouwbaar is, als je de nieuwslezer op radio of tv gelooft geef je aan dat die geen nepnieuws verkondigen. Wanneer je iemand niet gelooft, geef je aan dat die persoon onbetrouwbaar is, dat het niet waar is wat die zegt.  Maar wanneer je in iemand gelooft, geef je aan dat je je aan die persoon durft toe te vertrouwen en ook toevertrouwt, dat je op die persoon kunt bouwen en dat dat ook doet. De kerkvader Augustinus maakt een opmerking, die later ook door Thomas van Aquino wordt overgenomen wanneer hij spreekt over de geloofsbelijdenis: dat wij als gelovigen eigenlijk alleen in God geloven, dat wil zeggen eigenlijk alleen God als onze uiterste basis hebben. Dat houdt niet in dat je dan niet in mensen kunt geloven, maar dat je dan als gelovige in die mensen gelooft omdat je in hen Gods werking aanwezig weet.

Als we dat kader vergeten, dat kader van diep vertrouwen, dan kan het geloof inderdaad een kwestie van waarheden worden die je wel of niet begrijpt, een dood gewicht, maar als je dat kader serieus neemt, wordt wat je gelooft bepalend en richting gevend voor hoe je leeft. Wanneer duidelijk is, hoe belangrijk het is hoe je gelooft, kan ook over wat je gelooft gepraat worden, kan pas goed gepraat worden over wat je gelooft.

In het evangelie van vandaag gebruikt Jezus het beeld van de herder voor zichzelf. ‘Ik ben de goede Herder’. Hij geeft dus met het beeld van de herder een invulling in wie we geloven als we straks in de geloofsbelijdenis zeggen dat we in hem geloven. Dat beeld van de goede herder heeft in de vroege kerk tot de eerste verbeeldingen van Jezus heeft geleid, een herder met een schaap op zijn schouders. Blijkbaar heeft dat beeld van de herder aangesproken. In het gedeelte dat we gehoord hebben, gaat nog verder dan een herder die zorgt voor een schaap, die een schaap op zijn schouders neemt. In het gedeelte dat we gehoord hebben gaat het om een goede herder die zijn leven waagt, die zijn leven geeft voor zijn schapen. Dat geloven we van Jezus Christus.

Maar dat beeld van de herder roept ook het beeld van schapen op, dat wij op schapen lijken, schapen zijn. Wat houdt dat in? Wat zegt dat over ons? Jaren geleden zei een mevrouw tegen mij die veel van schapen afwist, dat op de zondag van de Goede Herder de meeste predikanten praten over zaken waar ze niets van weten en dat ze vaak de grootste onzin uitslaan. Sindsdien ben ik wat voorzichtig geworden als het over schapen gaat. Maar gelukkig hebben we vandaag ook nog een andere lezing waarin een ander beeld voor ons gebruikt wordt. ‘Wij worden kinderen van God genoemd’. Dat kan ons helpen, want we we maken op een of ander manier kinderen mee, en vooral we zijn allemaal kind geweest: wij zijn allen ervaringsdeskundigen.

Dat beeld van kind kan natuurlijk van alles oproepen: van kinderlijk en kinderachtig tot intimiteit en liefde, van bang zijn tot zorgeloosheid. Welke associaties zijn van belang voor ons kind van God zijn? Bij een ziekenzalving bid ik aan het begin de psalm die we net gezongen hebben, mijn herder is de Heer, omdat daar over zalven gesproken wordt, maar ook over niet bang zijn, ook ‘al moet ik door donkere dalen’, ‘Gij zijt steeds bij mij’, of zoals het in een andere vertaling wat scherper staat: ‘al moet ik het duister in van de dood. U bent toch bij me’. Aan het eind bid ik meestal een klein stukje uit een andere psalm. ‘Bij U, ik ben altijd bij U, U houdt mijn vast, uw hand in mijn hand’ (ps.73) Dat hand in hand is voor mij een bepalende associatie als het om kind zijn gaat.

‘Wij worden kinderen genoemd en wij zijn het ook’. Waarom voegt de schrijver Johannes er aan toe: ‘en we zijn het ook.’? Misschien om het idee te neutraliseren dat het ‘maar’ om een beeld gaat, dat het ‘maar’ een manier van praten is. Ik weet dat in de traditie vaak zo gepraat wordt: ‘maar’ een beeld, ‘maar’ een manier van praten, met de suggestie van: niet echt. Terwijl dat kindschap Gods een van de centrale punten van ons geloof is. In die prachtige ouverture van het evangelie van Johannes staat toch dat de Zoon ons de gelegenheid geeft kinderen van God te worden (Joh 1, 13), en deze tekst uit de brief van Johannes, ‘wij worden kinderen genoemd en wij zijn het ook’ is daar een echo van.

Maar misschien ook om duidelijk te maken dat het niet alleen om woorden gaat, maar ook om de praktijk, om een geloofshouding. Om nog maar een keer Halik te citeren: ‘Alleen de praktijk van het geloof … laat ons zien in wat voor soort God iemand gelooft en in welke hij niet gelooft.’(19).

In een van de introducties tot het bidden, zingen van het Onze Vader in de eucharistie staat ‘durven wij’. Durven we kinderen van God te zijn? Met alle consequenties van dien?

 

 

Meer nieuws

Belangrijke mededeling, benoeming pater Michal (Michau) Tabak

Goed nieuws! Mgr. dr. Gerard de Korte, bisschop van het […]

Preek voor de 7de zondag van Pasen 12 mei 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof 1 Joh. 4,11-16 Joh. 17,11b-19 Inleiding Deze zevende […]

Preek voor de Hemelvaart des Heren 9 mei 2024 Cenakelkerk

Herwi Rikhof   Een feest midden in de week: dat […]

Overweging 6e Zondag van Pasen 4-5 mei 2024 Cenakelkerk

Margaret de Groot-Vlasveld Eerste Lezing 1 Johannes 4, 7-10; Evangelie […]

Koninklijke onderscheiding voor pastor Herwi Rikhof

Vanochtend, op vrijdag 26 april, kreeg pastor Herwi Rikhof in […]