Preek voor de 29ste zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk

Preek voor de 29ste zondag door het jaar 2022         Herwi Rikhof            Cenakelkerk

Ex. 17,8-13 / Lc. 18,1-8

 

Heel irritant. Ik ken het verhaal zo’n beetje uit mijn hoofd, maar ik wilde even iets controleren. Ik wist zeker dat verhaal in een bepaald boek over bidden stond, maar toen ik dat boek doorbladerde en nog een doorbladerde, kon ik het nergens vinden en ook niet in andere boeken over bidden, die ik toen maar doorkeek. Meestal klopt mijn herinnering wel en vind ik ook wel wat ik zoek, maar dit keer niet. Gelukkig ken ik het verhaal voldoende om het wel te kunnen reconstrueren.

Het afgelegen stadje had alles wat voor het gewone leven nodig was, een bakker, een slager, een timmerman en zelfs een klokkenmaker. Maar toen de klokkenmaker stierf was er voor hem geen opvolger: of hij plotseling stierf of dat hij niet voor een opvolger had gezorgd of dat niemand van de jongeren het wilde, dat vertelt het verhaal niet. Wel dat langzamerhand problemen ontstonden. De klokken in het stadje begonnen kuren te vertonen en niemand kon daar iets aan doen. Daarom zeiden sommigen mensen: ‘nu dan houdt het op, het heeft geen zin die klokken op te winden als ze toch niet de goede tijd aangeven’. Maar er waren ook anderen die zeiden: ‘niets is ook niets, laten we ze maar blijven opwinden, we hebben dan wel niet de precieze tijd, maar we hebben wel zo ongeveer de tijd.’ Bij toeval kwam, een hele tijd later, een rondreizende klokkenmaker in dat stadje en alle mensen kwamen op de markt met hun klokken. Toen bleek dat de klokkenmaker wel de klokken kon repareren de telkens waren opgewonden, niet de klokken die stilgezet waren: die waren verroest.

Een verhaaltje over bidden, zoals Jezus een verhaaltje over bidden vertelt. En zoals de pointe van dat verhaaltje over de klokkenmaker te maken heeft met volhouden en gewoon doorgaan ook al klopt het niet helemaal, geeft de evangelist ook aan dat Jezus het verhaal over de rechter en de weduwe vertelt met het oog op ‘steeds bidden en daarin niet versagen’. Maar zoals met zoveel verhaaltjes, zeker met de parabels die Jezus vertelt, gaat het nooit om één uitleg of om maar één pointe. Ik lees in dit verhaaltje daarom ook nog iets anders.

Dit verhaaltje wordt bepaald door de tegenstelling: man – vrouw. Een tegenstelling die in dit verhaal veel verder gaat dan Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus. In dat boekje presenteert de schrijver op zo’n manier de verschillen tussen mannen en vrouwen dat je vaak moet glimlachen ook van herkenning. In het verhaal van Jezus is het verschil tussen man en vrouw niet om te glimlachen. Het verschil is gekoppeld aan maatschappelijke verhoudingen, aan economische verhoudingen, aan machtsverhoudingen. Die man is een rechter, een functionaris, een man met macht. Die vrouw is een weduwe, zonder baan en inkomsten, iemand zonder aanzien. Zaken die toen speelden in de verhouding man-vrouw zijn zaken die nu nog steeds spelen: geen gelijke behandeling, geen gelijke betaling, me-too.

En er nog iets dat de verhouding man-vrouw haast overstijgt en waar wij, met de beelden van de enquêtecommissie over de gaswinning in Groningen en die toeslagenaffaire en de andere affaires in onze maatschappij voor ogen, gevoelig voor zijn: een overheid die niet luistert, mensen die het gevoel hebben niet gehoord te worden, mensen die van het kastje naar de muur gestuurd worden, mensen die het onmachtige gevoel hebben alleen staan tegenover een gezichtsloos bureaucratisch apparaat.

Blijkbaar niet alleen van onze tijd, want die rechter in het verhaal luistert niet. Jezus dikt dat nog aan, tekent die rechter als een functionaris van de wet die de wet aan zijn laars lapt. Een volstrekt amoreel mens. Misschien een karikatuur, maar misschien ook een beschrijving die dicht bij de werkelijkheid komt.  Corruptie is ook van alle tijden.

Maar Jezus vertelt dit verhaal en zijn andere verhalen niet om bepaalde maatschappelijke toestanden, mistoestanden aan de kaak te stellen, maar hij gebruikt die maatschappelijke verhoudingen om iets over God of het koninkrijk van God te vertellen. Als Jezus een gebeurtenis neemt uit het gewone leven, dan is dat om iets te verhelderen over het religieuze leven. En, dat doet hij bijna nooit eenvoudigweg, één op één. Hij wil blijkbaar niet alleen iets over God en het koninkrijk van God vertellen, maar hij wil ook vragen stellen bij de ideeën, die wij- bewust of onbewust -, over God hebben, en hij wil die ideeën corrigeren. Soms zet hij ons daarvoor op het verkeerde been, zoals bij de parabel over de mensen die de hele dag gewerkt hebben en die maar een uurtje gewerkt hebben, soms doet hij dat via een retorische vraag, een vraag waarop het antwoord duidelijk is maar ook verrassend, zoals vandaag.

Als zo’n rechter die zich om God noch gebod bekommert al luistert naar die aanhoudende weduwe ‘zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen of zal Hij onbewogen blijven?’ Misschien denken we dat God te ver weg is om ons te horen, te hoog om door lastig gevallen te worden. Door die vraag van Jezus bevraagt hij die vooronderstellingen, door die vraag suggereert hij dat in onze verhouding tot God er nooit sprake van lastig vallen kan zijn.

Jezus eindigt dit verhaaltje met een andere vraag die op het eerst gehoor niet echt aansluit: zal de mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden? Waarom stelt hij die vraag? Misschien kunnen we een antwoord vinden als we kijken naar de eerste lezing die we gehoord hebben.

Wij horen vandaag namelijk ook nog een ander verhaal, een verhaal dat niet letterlijk over bidden gaat, maar wel over de gebedshouding: Mozes met zijn armen opgeheven. Dat staat voor bidden. Die houding houdt hij niet echt vol. Eerst lukt het hem weliswaar met afwisseling – dan weer omhoog, dan weer omlaag, maar toch en dan wordt hij moe, te moe. Op dat moment krijgt hij hulp, houden Aaron en Chur zijn handen om hoog.

De vermoeidheid van Mozes is al te herkenbaar. In die retorische vraag heeft Jezus het over dag en nacht. Wie van ons haalt dat? En de sluipende twijfel of God wel ons gebeden hoort helpt niet. En daarom hebben we hulp nodig. Mensen zeggen wel eens: ik kan toch ook goed bidden als ik in het bos, of in de bergen wandel, of langs het stand loop. Zeker. En ook op al die andere plaatsen is alleen bidden mogelijk en ook goed, maar samen bidden maakt het als het ware sterker. Je staat er niet alleen voor en de andere helpen je om over die dooie punten heen te komen. Ecclesia supplet  is een oude formule : de kerk vult aan. Altijd een geruststellende gedachte: dat de gemeenschap mij aanvult, mij helpt. Dat is wel een kwestie van geloof, geloof dat we er niet alleen voor staan.

Wanneer we straks onze geloofsbelijdenis bidden, noemen we ook de kerk. Thomas van Aquino in zijn uitleg van de geloofsbelijdenis maakt duidelijk dat we niet in de kerk geloven, zoals we in God Vader Zoon en Geest geloven, maar als we de kerk in de geloofsbelijdenis noemen, we in feite zeggen dat we geloven dat in de kerk, in onze mede-gelovigen de Geest werkt.

Zal de mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?

Meer nieuws

Kom ook Kindje Zoeken bij de Cenakelkerk op zondag 18 december

Zondagmiddag 18 december is er voor kinderen van 4 tot […]

Overweging 2e zondag Advent 2022, door Pastoor Jacques Grubben

Jaarlijks mag ik na Kerstmis verstillen in een retraite. Van […]

Lezingenreeks winterwerk

Op dinsdag 17 januari organiseert de Commissie Winterwerk een lezingavond […]

Vieringen in december in de Cenakelkerk

Zaterdag 3 december 17.00 uur 2e Advent – Eucharistieviering Zondag […]

Preek voor de eerste zondag van de advent 2022 Cenakelkerk

Preek voor de eerste zondag van de advent 2022                  […]