Preek voor de 15e zondag 10 juli 2022

Preek voor de 15de zondag van het jaar 2022

Of we dat eerste gedicht van Remco Campert in de klas gelezen hebben, weet ik niet meer. Misschien wel, want we lazen niet alleen Vondel en Gezelle, maar ook Marsman en Hanlo, misschien niet want dat gedicht van Campert herinner ik me niet. Van die andere dichters spelen zo nu en dan nog flarden door mij heen, meestal door dingen die om mij heen gebeuren. “Een felle dood die nu geen wit mag zien verschoont de grijze lien”: dat begin van het gedicht van Vondel bij de uitvaart van zijn dochtertje komt op wanneer ik geconfronteerd wordt met een te vroege dood. “De bomen strooien weer de weg met wakke winterblaren die vol gevangen morgendauw te gronde nedervaren” zijn regels die passen bij de komst van de herfst met alle gevoelens van dien. Aan ‘Grootsch en meeslepend wil ik leven, hoort ge dat vader moeder wereld knekelhuis’ moet ik denken als ik jonge mensen met passie tegenkom, en ‘Oote oote boe’ zeg ik soms als ik hoor wat politici in de Kamer zeggen. Maar dat kan ik niet zeggen van dat eerste gedicht van Campert, van die beginzin: ‘ik geloof in een rivier die stroomt van zee naar de bergen’. Die zin las ik in een van de kranten bij het overlijden van Campert de afgelopen week en die zin is blijven doorzingen in mijn hoofd. Waarom?

Vanwege dat begin: ‘ik geloof’ die de vraag oproept waarin ik geloof? Waarschijnlijk wel, want die vraag komt niet alleen op wanneer we hier in de kerk de geloofsbelijdenis bidden of zingen. Het is een vraag die telkens opkomt in mijn werk natuurlijk, maar ook als ik nadenk over wat er in onze maatschappij in Nederland gebeurt en wat er in andere landen wereldwijd gebeurt, ontwikkelingen die mijn, die onze waarden en normen raken, bevragen en zelfs ondermijnen. Waar geloof ik nog in? En ik gebruik met opzet dat verraderlijke woordje ‘nog’ hier terwijl ik dan anders nooit doe als het om geloof gaat, omdat ik merk dat er grote verschuivingen plaatsvinden en dat het vertrouwen in overheid, in wetenschap niet meer vanzelfsprekend is.

‘Ik geloof in een rivier die stroomt van zee naar de bergen’ is ook blijven doorzingen vanwege die omgekeerde werkelijkheid: de rivier die van de zee naar de bergen stroomt. ‘Dat kan toch niet’ is waarschijnlijk de eerste reactie van veel mensen als ze die dichtregel lezen. Dat kan toch niet: van zee naar bergen stromen. Maar omdat het niet kan, of preciezer omdat het niet gebeurt, zette het mij aan het denken. Dat rivieren naar de zee stromen is een gegeven uit de natuur, een wetmatigheid: water stroomt altijd van hoger naar lager. En als je er even bij stil staat, ontdek je snel dat we van wetmatigheden uitgaan, niet alleen op het natuurlijke gebied, maar ook op andere gebieden. Wetmatigheden zijn een onderdeel, een belangrijk onderdeel van ons leven. Dat is waarom de coronapandemie zo hard aankwam – we moesten ineens ons leefpatroon drastisch wijzigen. Dat is waarom dat dichtdraaien van de gaskraan zo hard aankomt: we moeten serieus met allerlei scenario’s rekening houden en zoals ik iemand die een hoge functie heeft in de energievoorziening hoorde zeggen: ook met het zwartste scenario, een koude winter en weinig gas. Door die natuurwetmatigheid van water dat altijd van hoger naar lager stroomt om te draaien wijst de dichter op de belangrijke rol van wetmatigheden in ons leefpatroon en wijst hij er tegelijkertijd op dat wetmatigheden ook kunnen veranderen. Die verandering kan negatieve reacties oproepen – dat hebben we in de coronapandemie gemerkt, dat merken we nu rond de stikstof-discussie, de discussie over windmolenparken -, maar die verandering kan ook positieve reacties oproepen. En dat is wat de dichter bedoelt, denk ik, dat is waarom hij bij die omgekeerde werkelijkheid ‘ik geloof in’ gebruikt. Die positieve reacties hebben te maken met nieuwe kansen, met ongekende mogelijkheden, met verrassende vergezichten.

Zoiets speelt ook in de tekst van Paulus die we net gehoord hebben. Paulus gebruikt wel niet ‘ik geloof’ en praat ook niet over een geloofsbelijdenis, maar dat is die tekst, dat lied in feite wel. Paulus heeft deze tekst niet zelf geschreven, maar heeft een bestaand lied genomen en misschien wat aangepast. Paulus doet hier iets dat later in de kerk als een soort wet wordt geformuleerd: lex orandi lex credendi, je bidt zoals je gelooft en je gelooft zoals je bidt. Zoals in dat gedicht van Campert zet de eerste zin de toon, en zoals in dat gedicht van Campert gaat het om een omgekeerde werkelijkheid. Jezus het beeld van de onzichtbare God. Dat het hier gaat om een omgekeerde werkelijkheid zal ik proberen uit te leggen.

In die eerste zin staat wel niet het woord ‘zichtbaar’, maar de term ‘onzichtbaar’ roept dat wel op. Het beeld van de onzichtbare God is een zichtbaar beeld. Die tegenstelling zichtbaar – onzichtbaar is een aparte, is niet een tegenstelling die we in onze werkelijkheid tegenkomen, zoals jong – oud, stad – platteland, nat- droog, boven- beneden. Dat zijn allemaal tegenstellingen die we kunnen zien, maar wat onzichtbaar is kunnen we niet zien en of er iets onzichtbaars is, is ook niet duidelijk. Mensen kunnen wel het gevoel hebben dat er iets onzichtbaars is, een sfeer bijvoorbeeld, maar niet iedereen is gevoelig daarvoor. En voor veel mensen telt alleen wat zichtbaar, tastbaar, waarneembaar is met onze zintuigen of met apparaten. Onze werkelijkheid is zichtbaar en zeggen dat iets onzichtbaars is, is – net als zeggen dat rivieren van de zee naar de bergen stromen – de werkelijkheid omkeren, is ons idee over de werkelijkheid uitrekken, is wijzen op nieuwe kansen, is ongekende mogelijkheden creëren.

Onzichtbaar-zichtbaar: dat raakt de kern van ons geloof, dat de onzichtbare God zichtbaar geworden is in Christus Jezus, dat zoals het later klinkt in dit lied ‘God in heel zijn volheid heeft willen wonen’. Of zoals dat in de proloog op het evangelie van Johannes staat: niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon heeft hem ons doen kennen, en later in dat evangelie zegt Jezus bij de afscheidsrede: wie mij ziet, ziet de Vader.

Zichtbaar-onzichtbaar: dat zijn ook de woorden die gebruikt worden als later nagedacht wordt over sacramenten: dat zijn ‘zichtbare tekenen van onzichtbare genade’, een definitie die een echo is van die Christus Jezus is het beeld van de onzichtbare God. Daarom zijn sacramenten ook zo belangrijk voor christenen, kunnen wij ons geloofsleven niet voorstellen zonder sacramenten. Op alle belangrijke momenten van ons leven spelen die zichtbare tekenen van onzichtbare genade een rol, bij begin en eind, bij grote keuzes die we maken voor ons leven en ook voor de gewone gang van zaken, om te kunnen leven en goed te kunnen leven.

Ik weet dat het niet gebruikelijk is om te zeggen dat wij als christenen sacramenten zijn, dat wij zichtbare tekenen van onzichtbare genade zijn, maar ik merk dat ik meer en meer over ons denk in die termen. Dat mag misschien wat vreemd klinken, dat mag misschien ook pretentieus klinken, maar net als die rivieren die van de zee naar de bergen stromen zijn wij als zichtbare tekenen van onzichtbare genade ongekende mogelijkheden.

Meer nieuws

Overweging, 7 augustus, 19e zondag 2022 C door pastoor Jacques Grubben

Al het aardse is betrekkelijk want alles is ons toevertrouwd. […]

Vierdaagse mis 2022

De Vierdaagse mis van 17 juli jl in een fotoreportage. […]

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk  

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022             […]

Op vakantie in de Cenakelkerk

Ontdek deze zomer de verhalen van de Cenakelkerk tijdens twee […]

Overweging 16/17 juli 2022  Cenakelkerk

Overweging 16/17 juli 2022  Cenakelkerk Eerste lezing Genesis 18, 1-10a […]