Preek voor de 14de zondag door het jaar 3 juli 2022

Preek voor de 14de zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk

Deze week werd weer in alle hevigheid duidelijk hoe moeilijk en hoe gecompliceerd de meest eenvoudige menselijke handelingen zijn: luisteren, met elkaar praten, de ander iets vertellen, de ander begrijpen, communiceren. Hoe moeilijk het is een goede balans te vinden tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds. Die balans is nodig. Niemand van ons staat immers blanco in het leven: we hebben vanaf onze geboorte van alles meegekregen in onze opvoeding en scholing, we hebben gaandeweg van alles meegemaakt, we zijn een onderdeel geworden van een gezin/familie van een maatschappij, we zijn lid geworden van een vereniging, van een club, we werken of hebben gewerkt, we hebben hobby’s of interesses gekregen. Dat alles bepaalt mee wat we horen, hoe we de ander verstaan, wat we begrijpen. Dat alles maakt ook dat proces van communicatie mogelijk. Als we geen enkele kennis, geen enkele voorkennis hebben, begrijpen we niet wat we horen of lezen. Maar tegelijkertijd kan die kennis, die voorkennis ook tot vooringenomenheid leiden, tot een manier van denken, complot denken, waardoor luisteren en praten, vertellen en begrijpen niet meer mogelijk wordt, waardoor dat proces van communicatie gefrustreerd en geblokkeerd wordt.

Wanneer we hier in de liturgie luisteren naar Gods Woord, wanneer we lezen uit de Schrift spelen deze zaken ook, dan gaat het ook om de goede balans te vinden tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds. Soms is dat vrij gemakkelijk. Neem nu het evangelie van vandaag. Jezus zendt zijn leerlingen uit, geeft hun een reisadvies mee en opdracht voor hun werk. Helder en duidelijk, zeker op het eerste gehoor. Er zitten natuurlijk wel wat haken en ogen aan dat reisadvies, – zonder geld, zonder bagage, zonder die reisverzekering waarmee je direct een nieuwe auto hebt, maar dat heeft niet met onbegrip of blokkade te maken. Integendeel precies omdat we weten hoe belangrijk geld en bagage en een reisverzekering zijn, begrijpen we dat advies, zet het ons aan het denken, kunnen we het er mee eens of oneens zijn.

Maar soms is die balans tussen openheid enerzijds en kennis anderzijds moeilijker, moeten we er moeite voor doen. En dat is vandaag ook aan de hand en wel in die tekst van Paulus. We hebben het slot gehoord van zijn brief aan de Galaten. Om te begrijpen wat Paulus hier schrijft is het al nodig te weten dat hij die brief schrijft aan gemeenschappen die hij gesticht heeft, aan mensen die door zijn prediking tot geloof zijn gekomen. Hij schrijft die brief omdat hij gehoord heeft dat ze teruggevallen zijn in oude praktijken. Hij is teleurgesteld, kwaad zelfs, noemt ze zelfs dom.

Wat is er gebeurd? Waarschijnlijk zijn er in die gemeenten na Paulus’ vertrek joden-christenen uit Jeruzalem gekomen en die hebben verkondigd hebben christenen, of ze nu Jood of heiden zijn, de joodse wetten moeten onderhouden, en dat wordt toegespitst op de kwestie van de besnijdenis. De besnijdenis staat daardoor voor het geheel van de wetten en de voorschriften, voor een vorm van geloof, zoals burka’s of hoofddoekjes staan voor een vorm van de Islam. Naar wat die mensen uit Jerusalem verkondigd hebben, hebben de Galaten die hij tot het geloof had gebracht geluisterd. Ze zijn vergeten wat hij hun verkondigd had en in die brief zet hij zijn verkondiging nog eens uiteen. In het slot dat wij gehoord hebben vat Paulus zijn argumenten in de brief samen. De kern is een zin die een soort one liner is, een zin die je gemakkelijk kunt onthouden, een soort politieke leus ook, een zin die een heel programma inhoudt, een zin die de hele brief samenvat: besneden zijn betekent niets en onbesneden zijn betekent niets, het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn.

Als je weet dat de discussie toegespitst is op de besnijdenis, dan is het logisch dat Paulus zegt: besneden zijn betekent niets. Maar Paulus voegt er direct aan toe onbesneden zijn betekent niets en daarmee maakt hij duidelijk dat het hem niet gaat om de ene of de andere uiterlijke vorm, maar om elk vertrouwen op iets uiterlijks: alsof het om de vorm, alsof om het uiterlijk zou gaan. En na gezegd te hebben waar her niet om gaat, zegt hij waar het wel om gaat. Het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn. Wat bedoelt Paulus hier? Waarom formuleert hij de kern zo? Je mag toch aannemen dat hij dat bewust doet, dat hij bewust zegt dat het er om gaat een nieuwe schepping te zijn. Paulus legt dat niet uit. En omdat hij ook zegt dat het alleen daarom gaat, is het van het grootste belang te begrijpen wat hij bedoelt. En nu gaat dat proces van communiceren spelen, tenminste bij mij door mijn kennis, voorkennis als theoloog. Ik probeer die kennis te verhelderen en dan kunt u aan het eind beslissen of die kennis geholpen heeft om Paulus te begrijpen of juist die kennis geblokkeerd heeft.

Het is gebruikelijk om dat grote gebied van de theologie onder te verdelen in onderwerpen: elk onderwerp heeft zijn eigen, typische vraagstelling, blikrichting en ook zijn eigen punten van discussie en problemen: als je over de kerk wil na denken, ben je met andere vragen bezig dan als je over Jezus wilt nadenken: bij een gemeenschap spelen andere vragen dan bij een persoon. En dat geldt ook voor de schepping. Dat is een onderwerp met een eigen blikrichting en een eigen vraagstelling. Die blik en die vragen hebben te maken met wat als het ware onder de werkelijkheid ligt die we ervaren. Nadenken over de schepping is nadenken over wat fundamenteel is voor alles en iedereen.

We zien van alles, maar als je nadenkt over dat alles als geschapen dan kom je tot de ontdekking, tot het inzicht dat dat allemaal er niet had hoeven zijn. ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ Als God niet in het begin de hemel en de aarde geschapen had, was er niets geweest. Je kunt dit inzicht ook zo formuleren: alles wat je ziet is een gave, heb je gekregen, ook jezelf. Maar je kunt dan een stap verder gaan zeker wat mensen betreft.
We zien mensen, jong, oud, vrouw, man, maar als je over mensen nadenkt als schepsel, dan denk je over hen na in verband met de Schepper. Wie schepsel zegt, zegt Schepper. Of om het te formuleren met een term die aan het eind van dat mooie scheppingsgedicht klinkt dat we altijd in de paaswake horen: elke mens is beeld van God. Verschillende mensen hebben verschillende talenten, de een heeft aanleg voor sport, de ander voor wetenschap, weer een ander voor techniek, weer een ander voor koken. Maar elk schepsel heeft als beeld van God een talent voor God, een aanleg voor God.
En dan kunnen we nog een stap verder gaan: dat beeld van God, die aanleg voor God is een fundament, dat is voor ieder van iets om op te bouwen en te vertrouwen. Maar zoals bij elk talent, bij elke aanleg: die moet je wel ontwikkelen, dat fundament moet je wel gebruiken, anders is zo’n fundament waardeloos. Dat is, denk ik, de reden waarom Paulus spreekt over nieuwe schepping. Je moet die aanleg voor God ontwikkelen, in cultuur brengen. Daar gaat het hem ten diepste om: Het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn.

Als ik dan met dat inzicht, met die voorkennis over schepping en schepsel, over elke mens als beeld van God de brief aan de Galaten weer doorlees, valt mij op dat Paulus toch wel die nieuwe schepping uitlegt: hij gebruikt die term nieuwe schepping dan niet, en praat ook niet over beeld van God of aanleg, maar hij zegt wel dat er geen verschil is tussen Griek en Jood, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, natuurlijk zijn die verschillen er wel, maar ze doen er uiteindelijk niet toe, omdat het om iets anders gaat: christen zijn, Christus aantrekken. (3, 27-28) En hij praat over leven in en door de Geest en hij praat dan heel concreet over de kenmerken van zo’n ‘geestelijk’ leven: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid (5, 22-23). Zelfs als je maar even stil blijft staan bij een van die kenmerken, ontdek je direct dat het om iets gaat dat voortdurend oefening en training vraagt. Als we deze lijst bespreken met de vormelingen vragen we altijd ook om aan te geven waar ze al voldoende van hebben. Elke keer beantwoord ik die vraag ook en merk dan dat ik bij alle die woorden moet zeggen: onvoldoende. Ik vermoed dat ik niet de enige ben. En je kunt je zelf de vraag stellen of je er ooit voldoende van hebt: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid.

Die kennis vanuit dat denken over de schepping heeft mij niet geblokkeerd. Integendeel. U ook niet , hoop ik.

Meer nieuws

Overweging 14 augustus, 20e zondag 2022 C door pastoor Jacques Grubben

Overweging 20e zondag 2022 C Bij het woordje vuur denk […]

Koren gezocht

Het Maldens Gemengd Koor is opgehouden te bestaan. Dat is […]

Vierdaagse mis 2022

De Vierdaagse mis van 17 juli jl in een fotoreportage. […]

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022 Cenakelkerk  

Preek voor de achttiende zondag door het jaar 2022             […]

Op vakantie in de Cenakelkerk

Ontdek deze zomer de verhalen van de Cenakelkerk tijdens twee […]